Ignaas Devisch :: Vuur – Een vergeten vraagstuk

Weinigen zullen het met filosoof en hoogleraar medische ethiek Ignaas Devisch oneens zijn: het energievraagstuk is een van de belangrijkste uitdagingen van onze tijd. De aarde warmt op, het klimaat wordt almaar wisselvalliger, de getijden extremer. Toch blijven we stookolie massaal verbranden, alsof er geen vuiltje aan de lucht is. Waar komt die achteloosheid vandaan, en hoe kunnen we haar bestrijden? Voor zover dat inderdaad ‘vergeten vragen’ zijn, plaatst Devisch ze in zijn nieuwste boek bovenaan op de agenda.

Devisch is niet de eerste denker die de menselijke verhouding ten aanzien van vuur, verbranding en meer in het algemeen energie ter discussie stelt. Reeds in de inleiding verwijst de filosoof bijvoorbeeld naar het werk van zijn collega Peter Sloterdijk, uit wiens ideeën Devisch inspiratie putte voor een integraal boek gewijd aan het thema. Anders dan Sloterdijk, en met hem het leeuwendeel van Devisch’ collegae, probeert de auteur zijn denkbeelden aanschouwelijk te maken voor een breed publiek. De Vlaamse filosoof werd er inmiddels even vaak voor geloofd als verguisd. Waar het inmiddels een decennium geleden verschenen Ligt de waarheid in het midden? nog een exposé was dat vooral een publiek zal vinden onder geïnteresseerden in de wijsgerige traditie, effenden Rusteloosheid en Het empathisch teveel de weg voor een minder beslagen publiek richting onderwerpen die het maatschappelijke debat al te vaak in louter politiek of ideologisch opzicht overheersen.

Devisch heeft meer dan gelijk dat hij zich als filosoof wil toeleggen op de problemen waarmee individuen in dit era collectief te maken krijgen, in een taal op maat van precies dat collectief. Zonder te vereenvoudigen of de complexiteit van het ideeëngoed van bekende voorgangers te nivelleren, wil Devisch in actuele termen en dikwijls op geestige wijze aan filosofie doen. Te weinig diepzinnig volgens een oude garde, net aantrekkelijk voor diegenen die nooit werk van Sloterdijk, Adorno of Nietzsche ter hand zullen nemen. Devisch, die zich ook in de media geregeld uitspreekt over allerhande kwesties, lijkt lak te hebben aan wat zijn vakgenoten menen dat een filosoof wel of niet zou moeten laten. Moeilijk doen kan ten slotte iedereen, nietwaar?

In Vuur onderzoekt Devisch achtereenvolgens de kiemen van onze hedendaagse onverschilligheid of ongevoeligheid voor de eindigheid van onze energiereserves, om uit te komen bij de vraag wat er ons anno 2021 te doen staat. De historische schets is rudimentair, maar interessant. Dat in het mythologische narratief het accent komt te liggen op de gevaren van vuur en dat die een waarschuwing vormen voor menselijke hybris, is zonneklaar. In de Westerse monotheïstische context komt de klemtoon veeleer te liggen op het bestraffende karakter van vuur, waarna het rationalisme en de verlichting komaf maken met de dogmatisch verkondigde fantasieën waarmee de katholieke kerk haar onderdanen onder de knoet hield. Het vuur moest ontrafeld worden, beheerst, opgewekt. En meer nog: het idee van vuur, dus van energie, raakte onlosmakelijk verbonden met onze beleving van vrijheid, wat in de 20ste en zeker de 21ste eeuw meer dan ooit zou blijken onder de vorm van massaconsumptie en snoepreisjes per vliegtuig.

Is er een weg terug? Jawel, maar Devisch is niet bepaald mild voor wat hij ‘ecologisch calvinisme’ noemt. De mens zal geen vrede nemen met stappen terug, een retoriek van ‘minder’ doet de klimaatzaak volgens de auteur geen goed. Wel integendeel: klimaatschaamte helpt niemand vooruit, en het ondergraaft een gedeeld draagvlak voor een transitie die stilaan levensnoodzakelijk aan het worden is. Blijkt Vuur tijdens de eerste twee delen vooral een methodische denkoefening, dan komt Devisch pas vanaf het derde deel met prikkelende inzichten aanzetten. Wat de filosoof als het “helioceen” boven de doopvont houdt, moet een tijdperk worden waarin de mens massaal energie kan blijven (over)consumeren en dus verspillen, zonder gevoel van schuld, en wel omdat de zon per definitie in overvloedig vuur voorziet.

Hoe die massale stroom aan energie precies kan gestockeerd worden, laat Devisch over aan de wetenschappers. Terecht, maar tegelijk vormt de technische lacune het grote hiaat binnen dit boek. Is het namelijk niet te eenvoudig om een langgerekt pleidooi te voltooien met de boutade dat de wetenschap wel iets zal vinden, en dat het daarmee allemaal goed komt? Hadden we met dergelijk positivisme niet al lang alle kankers de wereld uit geholpen, om maar iets te zeggen?

De opbouw mag vanaf halfweg dan erg genietbaar zijn, het orgelpunt laat de lezer op zijn honger zitten. Daarenboven gaat Devisch nogal vlotjes over de onheilstijdingen van pakweg Naomi Klein en David Wallace Wells. Hij heeft allicht gelijk dat apocalyptische retoriek niet bepaald motiverend werkt, maar is nagenoeg blind vertrouwen in nog onontgonnen wetenschap een gezonder alternatief? Zouden we er tussentijds niet goed aan doen om toch allemaal op zijn minst een beetje te leren matigen? En wat eigenlijk met de hele agrarische industrie, waarvan de uitstoot volgens sommige bronnen groter is dan de energieconsumptie van alle transport opgeteld? Zullen we anno 2050 massaal vlees kunnen kauwen en melk kunnen drinken omdat de zon onbekommerd schijnt? Of zullen we tegen wil en dank – op leven of dood – dan toch een ecologisch calvinisme moeten omarmen?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × vier =