Joseph Stiglitz :: Winst voor iedereen

In 2012 verscheen op HBO de dramareeks The Newsroom met een indrukwekkende openingsscene waarin Jeff Daniels de rol van nieuwsanker speelt en hij tijdens een debat op de vraag van een universiteitsstudente waarom Amerika het beste land ter wereld is, een tirade afsteekt waarom het niet zo is. Uiteraard behoort op `zijn Amerikaans` vermeld te worden dat het ooit wel zo was (iets wat de rest van de wereld zeker zal tegenspreken), maar showrunner en schrijver Aaron Sorkin (zie ook The West Wing) zit er niet helemaal naast met zijn kritiek, wat Joseph Stiglitz meer dan vijf jaar later alleen maar beaamt.

Stiglitz studeerde aan het MIT en Cambridge en doceerde onder meer aan Yale, Princeton en Stanford die alle weleens tot de zogenaamde Ivy-league-universiteiten gerekend worden en wereldwijd als topuniversiteiten beschouwd worden. Niet geheel verwonderlijk kreeg hij in 2011 de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor economie (ook wel eens de Nobelprijs economie genoemd) toegekend. Tijdens de eerste beleidsperiode van Bill Clinton was hij als medewerker betrokken bij diens administratie en zetelde hij zelfs een tijdje in diens kabinet. Bij de herverkiezing van Clinton verkoos hij evenwel een baan bij de Wereldbank als senior vice-president en chief-economist. Stiglitz staat bekend als een neo-Keynsiaan die scherp is voor een doorgedreven neoliberaal denken dat de overheid buiten spel wenst te zetten. Daarnaast is hij ook kritisch voor bepaalde vormen van mondialisering en, ietwat opvallend misschien, het huidige Europese project. Niet dat Stiglitz er niet in gelooft, maar naar zijn mening werkt de huidige constructie contraproductief en dient het geheel herdacht te worden. Hij werkte dit verder uit in Euro: How a Common Currency Threatens the Future of Europe (2016).

In Winst voor iedereen. Progressief kapitalisme in een tijd van onvrede onderneemt hij een gelijkaardige analyse, zij het dat hij ditmaal de VS voor ogen heeft. Stiglizt verwijst hierbij uiteraard geregeld naar Trump maar ook Bush en vooral Reagan komen in zijn vizier want, zo stelt hij, veel van wat momenteel verkeerd loopt in de VS kent een lange geschiedenis van doelbewust inzetten op bepaalde belangen waarbij een specifieke ideologische en economische visie overheerste. In zijn voorwoord geeft Siglitz dan ook eerlijk toe een andere visie te hebben op overheid en economie, en hoe beide zich tot elkaar verhouden, dan wat decennialang als de dominante kijk in de VS beschouwd mag worden. Maar Stiglitz is geen ideologische scherpslijper pur sang, veeleer wenst hij een analyse te brengen van waarom en waar het volgens hem verkeerd loopt (Trump is daarbij veeleer een symptoom dan oorzaak) en welke alternatieven er mogelijk zijn. Het boek is bijgevolg in twee grote brokken opgedeeld waarbij eerst een analyse van de huidige stand van zaken en waar/waarom het misgelopen is, gebeurt alvorens in het tweede deel een reeks alternatieven en antwoorden voorgelegd wordt.

Hoewel Stigliz een econoom is, durft hij in zijn analyses verder te kijken dan louter het financiële aspect en heeft hij ook oog voor politieke en technologische ontwikkelingen die op mondiaal vlak plaatsvinden. Verrassend voor een Amerikaans auteur hierbij is dat hij het woord klassenstrijd snel in de mond neemt, al hanteert hij het begrip niet vanuit een puur Marxistische invulling maar ziet hij veeleer een strijd tussen de zogenaamde 1% en de rest van de maatschappij, waarbij die eerste groep dankzij haar invloed, economisch en politiek, de wereld hertekent in functie van haar belangen. Dit klinkt uiteraard al snel pamflettair, net als Stiglitz beschrijving van de aanvallen op media, onderwijs en de rechterlijke macht door Trump en zijn aanhangers (of hier ten lande Theo Francken) maar Stiglitz heeft geen revolutie voor ogen noch een klassieke klassenstrijd, hij pleit vooral voor een herwaardering van de democratie en een oprecht streven en realiseren van meer gelijkheid, waarbij geen sprake is van een ‘zero-sum game’.

Om die stelling te onderbouwen baseert Stiglitz zich in belangrijke mate op cijfers en deelanalyses die ingaan op bepaalde aspecten van het economische en publieke leven waarbij hij waar mogelijk algemeen aanvaarde stellingen en principes tegen het licht houdt. Hij toont daarmee dat ze op niet meer gebaseerd zijn dan veronderstellingen en geregeld zelfs contraproductief zijn. Het bekendste en ook wel sowieso meest gecontesteerde idee is dat van de vrije markt en de daarbijhorende evenwichten, gecreëerd en in stand gehouden door concurrentie. Zoals echter ook voor niet-economen geregeld duidelijk is, blijft dit maar al te vaak dode letter en zijn oligopolies en monopolies couranter dan erkend wordt. Stiglitz toont niet alleen aan hoe deze monopolies ontstaan maar ook hoe ze vaak door onduidelijke of inefficiënte wetgeving zich verder kunnen ontwikkelen en paradoxaal genoeg misschien veeleer een gezond economisch bestel inclusief een functionerende vrije markt verder ondergraven veeleer dan versterken.

Ook wat mondialisering en globalisering betreft, schort er duidelijk het een en ander. Hoewel de zogenaamde vrijhandelsakkoorden net tot doel hebben (verregaand) protectionisme tegen te gaan, slaagt men er ook hier vaak in de theorie nauwelijks aan de praktijk te koppelen. Net als bij technologische ontwikkelingen kan het een zegen zijn op voorwaarde dat het correct gebeurd en dat de nodige onderbouw voorhanden is, in de eerste plaats via een degelijk uitgebouwd sociaal zekerheidsstelsel dat ook inzet op bijscholing en ondersteuning. In de meeste hoofdstukken die kritisch zijn, stelt Stiglitz zich dan ook niet op tegen verandering of innovatie maar veeleer tegen de manier waarop een antwoord geformuleerd wordt en hoe dit slechts een kleine groep ten goede komt. Het scherpst hierbij is hij, niet onverwacht, voor de financiële markten die zich, zoals ook in andere recente publicaties aangetoond, weinig aangelegen laten van anderen en vooral op eigen winstmaximalisatie op korte termijn gericht zijn, en dit ten nadele van de maatschappij.

In het tweede deel van het boek schuift Stigliz een aantal verbeterpunten en mogelijke antwoorden naar voor waarbij hij net als in het eerste deel niet de klassieke economische principes in zijn geheel bij het grof huisvuil zet maar wel correcties wenst aan te brengen. De belangrijkste hiervan hangen altijd samen met een sterkere en meer actieve overheid waarbij de burgersamenleving centraal staat. In essentie pleit Stiglitz voor een verzorgingstaat zoals die in de meeste Europese landen geldt, zij het dan een die meer op VS-leest gestoeld is. In die optiek valt er voor een niet-Amerikaanse lezer dan ook weinig nieuws te lezen, zelfs met alle bedenkingen eigen aan dit systeem hoeft men geen econoom te zijn om te beseffen dat het Europese stelsel op velerlei vlakken democratischer en rechtvaardiger is.

Stigliz heeft met Winst voor iedereen dan ook in de eerste plaats zijn eigen landgenoten voor ogen, zoals ook mag blijken uit het laatste hoofdstuk waarin Amerika `zoals het bedoeld was` centraal staat en net zoals in de speech uit The Newsroom gekeken wordt naar een mythisch verleden. Stiglitz is evenwel geen scenarist die binnen een fictioneel universum kan werken en trekt dat mythische verleden meteen in twijfel evenwel zonder opnieuw een positieve boodschap te vergeten. Verrassend nieuwe inzichten of beenharde kritiek (behoudens misschien voor de meest fanatieke Trump-supporter en/of karikaturale neoliberale kapitalist) zijn in het boek niet te vinden maar de manier waarop Stiglitz de feiten (en cijfers) samenbrengt en zo de vinger op de wonde legt, is wel verhelderend evenals zijn voorstellen tot verandering en verbetering. Hij is geen tafelspringer maar een bedachtzame professor waardoor zijn boodschap hopelijk ook bij een groot publiek weerklank kan vinden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 1 =