Brutus

17 juli 2020 OLT Rivierenhof, Deurne

Een gemist Best Kept Secret, een afgelast Werchter en een onmogelijk gewaand Cactus Festival verder, zagen we vrijdagavond dan toch ons eerste concert in maanden. Daar paste maar één woord bij: eindelijk. Een uitgehongerd Brutus serveerde een dito publiek net genoeg voer om toch een heel klein beetje dat gevoel van vroeger over te houden.

“Merci om te blijven zitten.” Stefanie Mannaerts zal het van achter haar drumstel meermaals herhalen. Beelden van het concert van Blackwave, eerder in het OLT, hadden nochtans een lustig rechtstaand publiek laten zien, het moet zijn dat één en ander door de organisatie strakker is getrokken. En een immer beleefd Brutus is er de band niet naar om de strijd tegen corona te saboteren: zitten blijven dus. Een goed opgevoed publiek metalheads, punkers en tienjarige meisjes (jawel) volgt gedwee. Headbangen kun je uiteindelijk net zo goed zittend, en met een mondmaskertje om.

Dat voelt natuurlijk vreemd aan, maar dat zou het altijd al geweest zijn. Brutus is geen band voor het propere Rivierenhof, dat voel je in elke noot, elke drumslag. De natuurlijke habitat van dit trio is de betonnen bunker, de zweterige festivaltent, en dat liefst van al in het halfduister, waar hun mix van punkse bruutheid en progressive gelaagdheid het beste gedijt.

Mannaerts, bassist Peter Mulders en gitarist Stijn Vanhoegaerden laten het niet aan het hart komen. Dit is hun moment, één waar ze na vijf maand gedwongen stilte lang aan toe waren. Je voelt het in het a capella gezongen begin van “Fire”, in de manier waarop de gitaar iets sfeervols postmetalligs doet dat het geluid van een lege maag echoot. En dan, een nummer later, mag “War” halverwege helemaal ontploffen; boem, patat, het is gank.

Nu zijn we aan het praten. Dit is waar we al vijf maanden naar hunkerden; een opstoot van energie, een klets om de oren. Dat we die fysiek zouden willen vertalen in een moshpit, wat geheadbang? Dat jeukt, maar niet al te hard – zó blij zijn we dit alvast hebben. En Brutus zet zijn tanden erin, vertrekt steevast in vijfde versnelling om er dan nog twee hoger te schakelen. “Drive” vindt nog een achtste – dat is het aan zijn titel verplicht – en scheurt met de geur van verbrand rubber in zijn kielzog en de flikken aan de broek. Kijk, lieve kinderen, zo moet muziek dus zijn. Het is niet omdat het even moeilijk gaat dat alles plots naar Milow moet meuren.

Zover zal Brutus het ook in tijden van veel te veel akoestische zoomsessies nooit laten komen, maar dat één en ander halverwege wat inzakt, weet de band toch niet te vermijden. “Space” wil veel zijn, maar komt nooit echt van de grond, en ook “Child” draait richtingloos rondjes. Het zijn momenten dat Brutus verstrikt raakt in zijn eigen mengvorm, in dat per se alle kanten willen uitgaan; én mathrockritmes, én postmetal, én ook gewoon ergens rocken. Wanneer de verschillende stukken zoals in dat laatste nummer lukraak aan elkaar lijken geplakt, gaat het nergens heen.

Brutus @ OLT 2020--01Hetzelfde gaat op voor het heel erg oude (2013, dat is prehistorie ondertussen) “Dancing On The Face Of A Panther” dat te lang ter plaatse blijft trappelen voor het dan toch plots vooruit schiet. Dat is wat laat, maar niet getreurd, de finale die volgt maakt dat wat goed. Eerst een “Baby Seal” dat spettert en beukt, met een Mannaerts die er op het einde nog wat extra “ooohs” achteraan gooit, en dan “Sugar Dragon”; een langzaam wegvloeien van wat nog over was aan energie met een prachtige ingetogen coda.

Het publiek veert recht, in een staande ovatie die van diep komt. We zijn er samen door, we hebben eindelijk weer een concert gezien. De zomer van 2020 kan dan toch een beetje beginnen, zelfs al voelt het een beetje als blijven spelen tegen beter weten in, terwijl de Titanic die de evenementensector in betere tijden was, langzaam zinkt. Dat er volgende maand grotere concerten zouden worden georganiseerd, lijkt alweer hopeloos verloren, het mondmaskertje een voorlopig blijvertje. Met optredens als deze bewees OLT echter dat niet alles verloren hoeft te zijn. Er is nog iéts mogelijk, als we ons gedragen.

Laten we dat dus maar blijven doen. Tot het eindelijk weer onbeleefd kan.

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf − zeven =