Oleg

Na ruim drie maanden verbannen te zijn uit de Belgische cinema’s (had te maken met een virus of zoiets) werd het eerste bezoek bepaald door een Letse film over een slager: namelijk Oleg, de 2e langspeler van de heer Juris Kurietsis. De Letse cinema was tot heden grotendeels onontgonnen terrein, aldus betraden we zonder enige voorkennis en verwachtingen de bioscoopzaal om kennis te maken met Oleg.

Oleg – waarom moeilijk maken als het makkelijk kan – gaat over Oleg (Valentin Novopolskij), een jonge Letse slager (“I cut meat” probeert hij steeds weer duidelijk te maken”) die naar ons Belgenlandje emigreert om zijn brood wat beter te kunnen verdienen. Door tig misverstanden en onaangename aanvaringen met Vrouwe Fortuna, geraakt hij al snel zijn werk kwijt en bevindt hij zich zonder papieren, zonder job en zonder enig plan in Brussel. Diezelfde Vrouwe Fortuna zorgt ervoor dat hij onder de vleugels belandt van de totaal onvoorspelbare Poolse Andrzej (Dawid Ogrodnik), een soort van tweederangs maffiabaas. Voordat Oleg het goed en wel beseft, geraakt hij verwikkeld in tal van illegale klusjes voor deze Adrzej. Zijn aanvankelijk redelijk grijze uitzichtloze leven wordt vanaf dan met de minuut steeds nét iets donkergrijzer en uitzichtlozer.

De film opent met een lang aangehouden shot vanuit vogelperspectief op een spierwit Lets sneeuwlandschap. Pas wanneer de camera de begane grond nadert, ontwarren we te midden die eindeloze vlakte ons hoofdpersonage Oleg. Eenmaal dit magnifieke, weidse openingsshot achter de rug is, drukt de cinematografie ons in benauwde beeldkaders in drukke kleine ruimtes, allemaal ingepast in een ongewoon benauwd aanvoelend vierkant 1:1 formaat. Kurietsis wil ons maar al te duidelijk meenemen in een grauwe, beklemmende wereld waar wij nette middenklassers weinig weet van hebben. Vanaf het moment dat Oleg arriveert te Brussel, volgen we hem in overbevolkte appartementen en grauwe slachthuizen waar jachtig in hompen vlees gehakt wordt en weinig woorden uitgewisseld worden. Buiten de verdiende goedkope pint bier en sigaret na het werken, valt er weinig vrolijkheid te bespeuren in deze kaders. Die jachtige sfeer probeert Kurietsis extra in de verf te zetten met zijn ‘hand-held’ camera. Hiermee volgt hij zijn hoofdpersonage continu op de voet en laat hij dat bedrukkende gevoel nooit los. Bovendien worden scènes nauwelijks in individuele shots  onderverdeeld.  Bij de langere trackingshots door de verschillende druk bevolkte ruimtes, werkt deze techniek nog aardig, maar de meer statische scènes voelen behoorlijk irritant aan om naar te kijken: de constante vluchtige ‘pans’ heen en weer tussen de personages – aan shot-reverse shots heeft de regisseur duidelijk lak – vermoeien en bovendien neigt de dialoog in dergelijke scènes naar pogingen tot geslaagde Tarantino-kopiën, maar blijft het meestal bij middelmatig geneuzel en leidt dit vooral af van het verhaal.

En dan komen we bij de kern van wat er morrelt aan deze film: het verhaal kabbelt een beetje van tegenslag naar tegenslag, de ene al wat ongeloofwaardiger dan de andere, en we zien ons hoofdpersonage het steeds opnieuw ondergaan met lede ogen. De sfeerschepping in Oleg werkt, maar inhoudelijk dringt er zich – na een zoveelste variatie op hetzelfde riedeltje – iets te veel verveling op. Waar het waarschijnlijk vooral de bedoeling was om de kijker mee te trekken in een gruwelijke neerwaartse spiraal in het donkere Brussel, kom je helaas eerder terecht in een spiraal van verveling en een gevoel van “alwéér?”. Een lichtpuntje: voor een Belgisch publiek is het af en toe leuk om binnen de Belgische setting waarin Oleg zich afspeelt, beloond te worden met heel wat momentjes van herkenning. Wel fronsen we even de wenkbrauwen als we Oleg ergens te midden van het Vlaamse platteland op de bus zien en we “volgende halte: Brussel-Centraal” horen weerklinken. Die bus hadden we zelf nog nooit genomen.

Het zal absoluut niet gelegen hebben aan Valentin Novopolskij, die met zijn lede ogen erg overtuigend de geslagen hond Oleg neerzet, noch aan zijn Poolse tegenspeler Dawid Ogrodnik die onder zijn schijnbaar vriendelijke voorkomen er steeds weer in slaagt om een dreiging van een nakende woede-uitbarsting te laten doorsluimeren. Beide prestaties slagen er evenwel niet in om deze film helemaal te redden. Oleg landt uiteindelijk op een vrij logisch — misschien zelfs het enige mogelijke – einde. Goed voor Oleg, maar ook niet meer dan dat. Dat we de cinema toch met een brede lach op de smoel verlieten had dus niet zozeer te maken met de Let Oleg, die ons warm noch koud deed voelen, maar vooral met het feit dat we nog eens een cinemazaal móchten verlaten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 − twee =