A.C. Grayling :: De geschiedenis van de filosofie

Ruim 2.500 jaar geleden stond boven de tempel van Apollo in Delhi het volgende te lezen: “gnothi seauton” (“ken uzelf”). Woorden die al dan niet door de presocratische filosoof Thales van Milete aangebracht zouden zijn, dan wel door een tijdgenoot van hem. Wie het ook was, het wordt als het startschot van de (Westerse) filosofie beschouwd en zou verschillende denkers verder blijven vormen en stimuleren. De geschiedenis daarvan neerschrijven, is dan ook een euvele daad die velen al opgestart hebben zonder dat een van hen ooit alomvattend was.

De Britse filosoof A.C. Grayling heeft het zich dan ook niet gemakkelijk gemaakt door zich aan dit titanenwerk te zetten en daarbij onbedoeld te insinueren dat het “de geschiedenis” zou zijn, een claim die hij zelfbewust meteen weerlegt in het volle besef dat hij op te boksen heeft tegen andere overzichten. Onder meer het befaamde overzichtswerk van Bertrand Russel (History of Western Philosophy), dat weliswaar bij de publicatie lauw onthaald werd, maar dankzij Russels toenmalige status en schrijfstijl wel zijn weg vond naar een geïnteresseerd publiek. Russels werk is overigens niet het enige overzichtswerk dat nog steeds in druk is, ook het kloeke, inhoudelijk sterkere en tot in 1999 gereviseerde Geschiedenis van de filosofie (Kleine Weltgeschichte der Philosophie, 1950) van Hans Joachim Störig mag nog steeds gelden als een relevante inleiding tot de filosofie. Dat alles hoeft echter niet te betekenen dat Graylings toevoeging geen waarde heeft, want finaal zegt elk overzicht evenveel over de auteur en het tijdperk waarin hij leeft als de behandelde materie zelf.

In dat opzicht weet Grayling zich aanvankelijk meer dan van zijn taak te kwijten. Hoewel zijn vakgebied voornamelijk in de analytische filosofie ligt en hij daarnaast ook over Descartes en Berkeley geschreven heeft, weet hij zich doorheen het boek meestal goed staande te houden. Opgedeeld in verschillende min of meer gelijke delen baant hij zich een weg door de geschiedenis van de filosofie waarbij de door hem gekozen tijdsvakken logisch en verdedigbaar zijn. Vooreerst is er uiteraard de antieke filosofie die start bij de Griekse presocratische filosofen en doorloopt tot aan Sint-Augustinus, waarmee de middeleeuwen aanvangen. Dat bij dit eerste tijdperk veel aandacht besteed wordt aan Plato en Aristoteles en hun hele denken in ogenschouw wordt genomen, is niet meer dan normaal. Niet alleen zijn van beide denkers de meeste geschriften overgeleverd, ze hebben (ongetwijfeld mede daardoor) ook een niet onbelangrijke invloed gehad op alle verdere filosofen.

Hoewel het middeleeuwse denken ruim duizend jaar bestrijkt, is dit een van de kortere delen geworden, voornamelijk omdat volgens Grayling de nadruk in deze periode op de theologie kwam te liggen en filosofie ten gunste hiervan bedreven werd. Aangezien theologische kwesties buiten het bestek van het boek vallen, spreekt het voor zich dat Grayling de belangrijkste denkers en hun ideeën slechts summier behandelt en nog meer dan bij een aantal Griekse en Romeinse scholen ingaat op de essentie van het denken veeleer dan een uitgebreide bespreking. Ook de renaissancedenkers worden hier als een geheel behandeld met lemma’s over de Aristotelische en Platonische scholen alsook het humanisme en het politieke denken.

Met Descartes en Spinoza, de voorlopers van de Verlichting, wordt een nieuw deel aangekaart dat zal lopen tot begin twintigste eeuw en zowat alle belangrijke filosofen en hun geschriften behandelt. Net als in de vorige delen weet Grayling de meeste behandelde denkers recht aan te doen door hun werk en nalatenschap helder weer te geven. Voor het eerst valt echter ook op dat hij niet elke filosoof even goed in de vingers heeft. Het is uiteraard ook een tijdperk waarbij uiteenlopende filosofen een veelheid aan geschriften nalaten die niet altijd uitblinken in helderheid. De verlichtingsdenkers die na Kant komen, worden niet geheel onbegrijpbaar samen behandeld, alvorens de negentiende eeuw zich aandient waar opnieuw beruchte namen als Hegel, Nietzsche, Schopenhauer, Marx en Bentham aan bod komen.

Naarmate de twintigste eeuw nadert, wordt duidelijker welk belang Grayling zelf hecht aan bepaalde scholen en stromingen. Als Brits auteur, geschoold in de analytische filosofie, legt hij een te grote nadruk op deze stroming ten nadele van de zogenaamde continentale filosofie die zich op het Europese vasteland ontwikkelde. Uiteraard kan niet voorbijgegaan worden aan het belang van Bertrand Russel, E. G. Moore en Gottlob Frege maar verhoudingsgewijs krijgen ze relatief veel aandacht terwijl ze op eenzelfde thema verder werken waar Foucault, Habermas en de Frankfürter Schule alsook Joodse filosofen als Levinas samen behandeld worden in een beschouwend lemma. Dat deze filosofen zich vaak op het gebied buiten de strikte filosofie begaven, mag wel waar zijn maar tezelfdertijd kan de vraag gesteld worden waarom het denken over taal en begrippen dan wel pure filosofie zou zijn.

In een laatste deel wordt niet-Westerse filosofie behandeld waarbij achtereenvolgens de Indiase, Chinese, Arabisch-Perzische en Afrikaanse filosofie aan bod komen. Ook Russel had al aandacht voor wat toen nog de Mohammedaanse filosofie genoemd werd, terwijl Störig ook de Indische en Chinese filosofie behandelde. Dat Grayling ze bespreekt, is dan ook niet nieuw. Jammer genoeg valt ook op hoe weinig Grayling met deze stromingen vertrouwd is, waardoor hij nooit echt tot de essentie weet over te gaan. Bovendien is het moeilijk ze te vergelijken met de evolutie van de Westerse filosofie daar de Arabisch-Perzische sterk afhankelijk bleef van de Islam, de Indiase zich onder het hindoeïsme en boeddhisme ontwikkelde en de Chinese verder bouwde op Confucius en Mencius. Het Ubuntu dat als enige Afrikaanse denkstroming aan bod komt, wordt te beperkt besproken om een waardevolle bijdrage te zijn.

Net als zijn voorgangers is Grayling er niet in geslaagd een exhaustief overzicht van de filosofie te geven. Binnen een vakgebied dat enerzijds verder ideeën en visies ontwikkeld en anderzijds zijn eigen geschiedenis beter in kaart weet te brengen, is zoiets uiteraard onmogelijk. Iedere auteur die zich hier aan waagt, zal vroeg of laat op de eigen limieten stuiten. Bovendien draagt ieder van hen eigen vooroordelen en voorkeuren met zich mee wat zelfs bij het streven naar objectiviteit toch doorschemeren zal in de gemaakte keuzes, beschrijvingen en analyses. Net als alle anderen begaat ook Grayling die fout, maar hij is er zich van bewust en probeert ze maximaal te omzeilen. Er kan kritiek gegeven worden op bepaalde keuzes (zeker voor de twintigste eeuw), maar Grayling doet de belangrijkste filosofen wel eer aan en vat hun denken correct maar summier samen, op een enkele struikeling na.

Graylings eerste doel met dit boek is om leken te introduceren in de wondere wereld van de filosofie. Zijn heldere, vlotte schrijfstijl samen met de verantwoorde gemaakte keuzes en de veelheid aan denkstromingen en filosofen dragen hier zeker toe bij, waardoor De geschiedenis van de filosofie een waardevolle en recente aanvulling is geworden op de overzichtswerken van de filosofie. Na het lezen zal niemand zich uiteraard een expert kunnen noemen, maar Grayling reikt wel al de eerste hulpmiddelen aan om doorheen de bomen van denkers toch nog het filosofenbos te zien. De geïnteresseerde lezer kan bovendien aan de hand van de literatuurverantwoording zelf op zoek kan gaan naar relevante primaire en secundaire literatuur, wat in het bijzonder voor de niet-Westerse filosofie een belangrijk hulpmiddel is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × drie =