Jherek Bischoff :: Cistern

Er zijn zo van die muzikanten die elke plaat een ander geluid laten horen. Multi-instrumentalist Jherek Bischoff, die op zijn vorige worp Composed popnummers in een barok jasje vol zwierige arrangementen liet horen, gaat op Cistern volledig de kant van de gecomponeerde (neo)klassieke muziek op.

Muziek zoals die zou klinken wanneer het gespeeld wordt in een lege watercisterne, dat is de opzet van Cistern. Dat ruimte in grote mate klank kan bepalen wordt hier dan ook ruimschoots bewezen: Bischoff liet frivoliteiten uit zijn muziek grotendeels achterwege en omarmde in plaats daarvan de stilte, de galm en de herhaling om de holle buik van zo’n waterreservoir te vullen.

Bijna nodeloos om te zeggen dat de poprandjes van zijn werk daarmee ook behoorlijk werden afgeveild. Op Cistern zijn nergens vocals te bespeuren, zijn songstructuren eerder abstract ingevuld, en komen zelfs nauwelijks gangbare rockinstrumenten voorbij. De focus ligt hier erg sterk op een arsenaal strijkers en blazers die de kern van het geluid vormen, soms vergezeld van een basgitaar of een keyboard (zoals de kige casio in het prachtig ijle “Cas(s)iopeia”). Het zorgt ervoor dat deze muziek haast onvermijdelijk associaties met filmmuziek oproept.

Dat soort aanpak houdt al snel het risico in zich dat de muziek niet veel meer dan achtergrondgedreun wordt. Gelukkig is dat grotendeels buiten het melodiegevoel van Bischoff gerekend, want ook al beweegt de muziek zich hier aan trage nachtelijke tempo’s, in de meeste nummers weet de componist toch sterke melodieën te introduceren die het geluidspalet openbreken. Een mooi voorbeeld daarvan is het door rudimentaire percussie, dreunende strijkers en uit de verte aanwaaiende koperblazers aangedreven “Closer To Closure”, waarin een lyrische klarinetlijn de gezapige sfeerzetting plots een herkenbaar eigen smoelwerk verleent.

De naar Ennio Morricone neigende basgitaarpartij in het daar op volgende “Headless” doet iets gelijkaardig en past mooi in het bedje dat de vage strijkers geconstrueerd hebben. Aan het einde muteert dat gitaarthema zich zelfs tot een dramatische finale à la Howard Shore. Elders worden sferen opgeroepen die je ook in het werk van Max Richter of Jóhann Jóhanssón terugvindt, maar Bischoff laat zich absoluut niet voor een gat vangen: op de titeltrack laat hij een arrangement horen met gulle romantische akkoordenrijkdom. Nog extremer is “The Wolf” waarin Bischoff teruggrijpt naar schriele dissonanten boven een gestage contrabaspuls à la Bartok om zo een dreigende sfeer op te werpen die contrasteert met de verdere verstilling en berusting van deze plaat.

Niet dat het altijd een schot in de roos is. Sommige stukken zijn wat te vrijblijvend, zoals het korte “Lemon”, dat weinig indruk weet na te laten met zijn wat anonieme strijkerspartij, of worden wat te lang uitgespreid zoals afsluiter “The Sea’s Son”. Maar plaats daar zo’n mooi deinend klanktapijt met echoënde pianonoten als in “Attuna” naast en Bischoffs misstappen zijn snel vergeten. In de meeste tracks slaagt Bischoff er toch vrij goed in om de val van de voorspelbaarheid en de saaiheid te ontwijken.

Door de betrekkelijke variatie en de sterke hoogtepunten is Cistern uiteindelijk toch een plaat waar we geregeld naar terug grijpen, ondanks het feit dat het bij een onoplettende beluistering al snel als achtergrondmuziek kan gaan klinken. Bischoff laat horen dat hij zichzelf succesvol tot neoklassiek componist heeft omgeschoold en dat meteen met een volwassen geluid dat zonder schroom naast (en vaak zelfs boven) dat van meer gevestigde namen in het wereldje kan staan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf − een =