Kaleidophon 2016 :: 5 – 7 mei 2016 – Jazzatelier, Ulrichsberg (Oostenrijk)

Wat festivals betreft is Oostenrijk het beloofde land voor de vrije improvisatiefanaat. Het hele jaar door kan men tot in de kleinste dorpjes terecht voor meerdaagse muziekfestijnen als Konfrontationen, Music Unlimited en Artacts, waar de internationale top van de improvisatiewereld zich onderling meet in een meerdaagse marathonconcertreeks. In het bescheiden Ulrichsberg – een gemeente met amper 3000 inwoners ergens in de buurt van het drielandenpunt met Duitsland en Tsjechië – staat begin mei al sinds 1986 in het teken van Kaleidophon, een van de interessantste spelers in dat boeiende festivalcircuit.

Ulrichsberg zou men kunnen beschouwen als een etalage van de Duitse Gründlichkeit. Met voortuintjes die getrimd zijn als een prijspoedel en een kurkdroge sociale etiquette straalt alles er orde en rust uit. Toch is het hier, aan de voet van het indrukwekkende Bohemer Woud, dat enkele van de meest dwarse muzikale uitingsvormen op de planeet al sinds de jaren ’80 een thuis hebben in het plaatselijke Jazzatelier – eigenlijk weinig meer dan een omgebouwde schuur met her en der wat ruw oplapwerk. Doorheen de seizoenen vinden hier regelmatig hedendaagse jazz- en improvisatieconcerten plaats, maar eenmaal per jaar trekt het concerthuis ook een wat ruimer, meer internationaal publiek, wanneer in de eerste weken van mei het driedaagse festival Kaleidophon van start gaat.

Jazzatelier is nochtans eerder een low profile-organisatie – met een totale afwezigheid op sociale media – maar met een geschiedenis en reputatie die tot ver over de landsgrenzen reikt. De vele festival- en concertposters die de muren sieren vermelden acts als Steve Lacy & Mal Waldron, Roscoe Mitchell Sound Ensemble, Sonny Sharrock, Henry Threadgill’s Air en Cecil Taylor, en in de wetenschap dat hier ook tientallen live-opnames werden gemaakt (door onder meer Anthony Braxton, Sun Ra Arkestra, Irène Schweizer, Pierre Favre, Evan Parker, Joëlle Léandre, Marilyn Crispell en Gerry Hemingway) krijg je bij het betreden van het bizar ingedeelde gebouw toch een lichtjes magisch gevoel. Dat wordt echter meteen gerelativeerd door de uitgelaten sfeer die binnen heerst, waar de geur van braadworsten en bier en de gastvrijheid van de talloze jonge vrijwilligers het Jazzatelier een ontwapenende charme geven waartegen zelfs de grootste cynicus niet is bestand.

Dag 1, donderdag 5 mei

Het festival nam een aanvang in die heerlijk relaxte sfeer en beperkte zich donderdag tot slechts een drietal bands, waaronder een afsluiter die zonder twijfel de meest toegankelijke act van het hele festivalprogramma kon worden genoemd (Canada Day). Maar eerst was het de beurt aan Circadia – een kwartet met opvallend genoeg twee akoestische gitaristen – om het festival te openen. Daarin enkele bekende figuren, met drummer Tony Buck van The Necks op kop, maar verder ook contrabassist Joe Williamson en gitaristen Kim Myhr en David Stackenäs. Het kwartet hield er een wat aparte esthetiek op na, zonder flitswerk maar wel met vier diffuse stemmen die samen een borrelende, volle sound creëerden overladen met kleur en subtiele bewegingen, en waarvan we na afloop het gevoel hadden dat we hier meer van wilden horen. Veel meer.

De gitaren van Myhr en Stackenäs vervulden een centrale rol, want door voortdurend en in snelle bewegingen over de snaren te wrijven kwam een heel rijke, korrelige geluidskolk tot leven waarin tonen, boventonen en af en toe een onbedoeld bijgeluid elkaar opvallend genoeg nergens voor de voeten liepen. Het was alsof een muzikale ruis het publiek langzaam overspoelde. De contrabas van Williamson versterkte bepaalde aspecten of accentueerde tonen die kwamen bovendrijven in het geheel, wat soms leek op een aanzet tot iets meer afgebakende passage, zeker wanneer ook Myhr en Stackenäs zich wat meer op korte frasen gingen concentreren. Dat bleek echter telkens een illusie want door het steeds maar wijzigende, transformerende geluidsbeeld kreeg men de muziek nooit werkelijk te pakken. Nieuwe elementen manifesteerden zich om de haverklap en voor je het wist was de weinige houvast alweer verdwenen.

Buck slaagde erin om met heel intuïtieve bijdragen voor een aangename stuwing te zorgen, ergens tussen ritme en puls. Door het spaarzame gebruik van bellen en schalen, gecombineerd met de wonderlijke klankenwereld van de gitaren, werd het publiek in het tweede deel van het concert ondergedompeld in een dampend microtonaal bad, een heerlijk gezoem dat het hele Jazzatelier gedurende een uur in de ban hield. De eerste cd van dit toch lichtjes indrukwekkende kwartet verschijnt normaal gezien de komende weken op het Noorse Sofa Records. Dat gaan we toch maar eens checken.

De akoestische klanken mochten volledig de kast in voor het tweede concert van de avond. Katharina Klement (afb. 1)en Martin Siewert speelden dan wel respectievelijk (prepared) piano en gitaar, maar bij beide werden de geproduceerde klanken bijna onophoudelijk door elektronische circuits gestuurd, waardoor de relatie tussen de originele geluidsbronnen soms volledig verdween. Het duo creëerde een beklemmende collage van de meest diverse geluiden, waarbij zwaar, bijna industrieel geweld bijna moeiteloos versmolt met de meest breekbare kronkels. Vooral Siewert had een waar arsenaal aan modules en pedalen voor zich uitgestald – hij had er alleszins een behoorlijk grote tafel voor nodig – en wist elk element van de geproduceerde klanken uit te buiten, om te vormen, te versterken of compleet aan stukken te scheuren. Distortion, droge analoge tonen en af en toe een mooie, zuivere elektrische gitaarlijn werden allemaal met overtuiging de zaal in geblazen, waar de combinatie met de vreemde, “geprepareerde” pianoklanken van Klement op de meeste mensen een hypnotiserend effect leek te hebben. Geen idee hoe lang het duo in werkelijkheid speelde maar bij het applaus leek het alsof we ontwaakten uit een aangename droom.

Het Jazzatelier was ondertussen helemaal volgelopen met een mix van onder meer kleurrijke locals, een hoop trouwe klanten van het huis en een behoorlijke portie van de stereotype jazzfestivalganger, die zich geen bal aantrekt van hip of hype. Elke stoel was bezet toen een lichtjes vertimmerd Canada Day van de New Yorkse drummer Harris Eisenstadt aan haar set begon. Vibrafonist Chris Dingman was om een of andere reden afwezig en het leek wel alsof de groep daarom voor een iets vrijere aanpak koos. Met Canada Day bracht Eisenstadt de afgelopen jaren al een handvol mooie platen uit waarop gelaagde en vaak vrij toegankelijke composities een hoofdrol spelen, maar het eerste kwartier van hun concert in Ulrichsberg was een stevige groepsimprovisatie, helemaal op maat van het festival.

Het kwartet, met Nate Wooley (trompet), Matt Bauder (tenorsax) en Pascal Niggenkemper (contrabas), maakte er een soort suite van, waarbij gecomponeerde passages werden verbonden door improvisaties, zowel solo als in groep. Wooley imponeerde toen hij enkele minuten de ruimte kreeg en zijn fenomenaal expressieve uithalen in alle hoeken van het gebouw liet resoneren. Dat contrasteerde mooi met het vlotte bochtenwerk van Bauder en de technisch uiterst verfijnde Eisenstadt, die qua speelstijl het dichtst tegen de jazz aanschurkten van alle muzikanten dat weekend. Het concept waarbij ze al improviserend in een lange set van compositie naar compositie surften, had als nadeel dat het hele gebeuren regelmatig stilviel, vooral dan wanneer een gestructureerde groepspassage werd gevolgd door een solo-improvisatie. Het zal wel deels te maken hebben gehad met de lange reis van ondergetekende eerder die dag, maar de opvallende schommelingen in de dynamiek kwamen het concert van Canada Day – dat nochtans het vlotst verteerbare van het hele weekend was – niet meteen ten goede.

Dag 2, vrijdag 6 mei

De zonovergoten tweede dag van het Kaleidophon festival begon stevig in mineur. In Ulrichsberg was die ochtend namelijk het nieuws binnengelopen dat trombonist Johannes Bauer op 61-jarige leeftijd was overleden. De Duitse improvisator was een graag geziene gast in het Jazzatelier, maar was al jaren in een oneerlijk gevecht verwikkeld met kanker, een uitputtende strijd die hij op 6 mei definitief verloor. De verslagenheid was op vele gezichten af te lezen, maar het rouwen gebeurde sereen en in stilte. Enkel Paul Lovens zou zich tijdens zijn concert met PaPaJoSh op de laatste dag nog even expliciet tot de trombonist richten, maar daarover later meer.

Dat het bij geïmproviseerde muziek alleen om de essentie draait werd door de organisatie beklemtoont via werkelijk kurkdroge aankondigingen van de concerten. Geen inleiding, geen verhaal en al zeker geen grap, enkel een korte vermelding van de groep en haar muzikanten. Voor de soloset van de Australische, maar in Frankrijk wonende percussionist Will Guthrie (afb. 2) stond de aankondiger van dienst dan ook geen 10 seconden op het podium. Guthrie maakt onder meer deel uit van het trio The Ames Room (dat al een reeks platen uitbracht voor labels als Gaffer en Clean Feed) en manifesteert zich daarnaast ook als soloartiest. In die gedaante mocht hij publiek opwarmen op vrijdagavond.

Zijn set-up bestond naast een min of meer conventioneel drumstel ook uit enkele gongs en schalen, waarmee hij een performance opbouwde die naar het einde toe het effect had van een adrenalineshot. Het eerste half uur was nochtans heel beheerst, waarbij de focus op de gongs kwam te liggen. Guthrie stippelde een route uit die hij steeds maar opnieuw ging overlopen, een beweging waaraan hij telkens nieuwe elementen toevoegde. Op die manier schakelde hij haast ongemerkt over naar de werkelijke “drums” en manifesteerde zich daar plots als een technisch fenomeen (wat nogal contrasteerde met de af en toe sukkelachtige manier waarop hij tot dan toe al enkele keren een drumstok had laten vallen). Guthrie timmerde aartsmoeilijke drumpatronen in elkaar die in zijn handen erg vanzelfsprekend klonken, fietste in een boog rond alle clichés en wist zo het publiek al vroeg op de avond een eerste keer aan het joelen te krijgen.

Een jong trio installeerde zich na een korte pauze op het podium, waarvan we vooral pianiste Ingrid Schmoliner herkenden, een van de vele muzikale partners van Joachim Badenhorst. Samen met Thomas Stempkowski (contrabas) en Elena Kaka Kakaliagou (hoorn) vormt ze het trio Para, dat haar thuis heeft in de Weense scene. De muziek van dit drietal was gefocust en afgebakend, en draaide om geïsoleerde ideeën die werden uitgewerkt in stukken van een handvol minuten. Net zoals Katharina Klement een dag eerder, speelde ook Schmoliner op een geprepareerde piano. Tussen de stukken paste ze telkens enkele dingen aan in het snarenwerk en daar had ze meestal wel wat tijd voor nodig. Nochtans gebruikte ze nooit meer dan een kleine zone van het klavier of de snaren in de klankkast. In een van de stukken bleef ze zelfs hangen bij twee toetsen, waarvan de boventonen voor een vreemde exotische sfeer zorgden.

Het trio speelde een vijftal stukken die van het publiek behoorlijk veel aandacht vereisten. Er was niet alleen het lage volume, maar ook het minimalistische karakter en de trage progressie. Dat werkte goed voor sommige delen, maar veroorzaakte een behoorlijke vermoeidheid naar het einde van de set toe. Hoe mooi het laatste stuk ook was met de prachtige hoornmelodie, de vrolijke baspartij en de door e-bow opgewekte tonen van de piano, het had allemaal wat te lang geduurd. Het concentratievermogen bij het gros van het publiek was op dat moment helemaal op.

De pianostemmer had nogal wat werk om het instrument klaar te krijgen voor de volgende groep, waardoor het schema behoorlijk uitliep. Maar voor een veelbelovend kwintet rond percussionist Paul Lytton, dat als een van de headliners van het festival kon gelden, namen we dat wachten er zonder morren bij. De Engelsman trad aan met dezelfde band waarmee hij het publiek van Konfrontationen een jaar eerder had getrakteerd op een memorabele set: pianist Sten Sandell, violist Philipp Wachsmann, klarinettist Floros Floridis en trompettist Nate Wooley, die in deze groep met voorsprong de jongste was. In slechts 45 minuten toonden deze vijf muzikanten hoe technisch meesterschap en hoogstaande muzikale communicatie niet per se gelijk hoeft te staan met het rollen van spierballen.

Slechts een zucht was nodig om de trein in gang te zetten. Een spel van klanken ontspon zich in een steeds veranderend web van interacties, waarbij Floridis zich de meest ongeduldige toonde. Wanneer een van zijn medemusici aan het woord was had hij het precies moeilijk om zich in te houden. Talloze keren bracht hij het riet van de (bas)klarinet naar zijn mond, zich klaar houdend om een antwoord te formuleren. Hij speelde overigens lekker driftig en met een vingervlugheid die men vooral met bebopmusici associeert. Het zorgde voor een leuk contrast met vooral Wachsmann en Wooley, die wel eens de neiging hadden zich terug te trekken en gewoon te luisteren. De violist – zowel op als naast het podium de minzaamheid zelve – stond regelmatig te glimlachen op het podium, aangenaam verrast door de vindingrijkheid van zijn collega’s.

Sandells bijdragen waren meestal kort en to the point. Hij besefte dat hij het geluidsspectrum niet dicht hoefde te plamuren, maar vooral efficiënt moest zijn. Net als Lytton beïnvloedde hij het gebeuren eerder impliciet, met een subtiele hint links of een suggestieve partij rechts, die het gemoedelijke karakter van het podiumgebeuren onderstreepten. Hoe organisch en vanzelfsprekend vrij geïmproviseerde muziek kan klinken werd hier op magistrale wijze gedemonstreerd. Na Circadia een dag eerder, kende het festival ook op de tweede dag vooral een beheerst en ingetogen hoogtepunt.

De energie die dan nog voorhanden was, werd in één ruk opgebruikt met het concert van het Duitse duo Xenofox. Gitarist Olaf Rupp en drummer Rudi Fischerlehner spelen al enkele jaren samen, zowel in duo als in andere bezettingen, maar sinds kort gaat hun project verder onder de naam Xenofox. Hun set vol poeier en freak outs kwam bij het publiek van Kaleidophon aan als een klets in het aangezicht. De altijd eigenzinnige Rupp etaleerde zijn erg vloeiende fingerpick-techniek op elektrische gitaar, vergezeld van een hoop effecten, en speelde met de linkerhand tegelijk nog eens begeleidende partijen met de vrije snaren op de hals. Fischerlehner hield zijn collega het eerste kwartier nog behoorlijk in bedwang, maar daarna barstte het hele gebeuren los in een soort van flipperkastimprovisatie. Een moshpit werd nog net vermeden.

Dag 3, zaterdag 7 mei

Er waren op twee dagen tijd al behoorlijke tot erg goede concerten gepasseerd, maar echt van onze sokken geblazen? Nee, dat was nog niet voorgevallen. Dag drie zou wat dat betreft de schade inhalen met een uitzonderlijk hoog niveau doorheen de dag – weliswaar met een opvallende uitzondering, waarvan we nu nog altijd afvragen of ze gewoon een slechte dag hadden of dat dit gewoon de bedoeling was. Het betrof het trio lll人 (geen idee hoe men het uitspreekt) bestaande uit saxofonist Seymour Wright, elektronicaman Daichi Yoshiwaka en drummer Paul Abbott, die een zeer statische vorm van vrije improvisatie beoefenden. De eerste tien minuten waren we nog mee met het vreemde percussieve gedoe van de Japanner Doshiwaka, die met een mini-drum en een soort pendel/magneet kloppende geluiden en sinustonen opwekte. Daar wisten zowel drums als sax zich mooi bij aan te sluiten, maar dat spelletje werd tot in den treuren herhaald, zonder noemenswaardige variatie. Wright concentreerde zich steeds op dezelfde samenklanken, terwijl Abbott op een eiland leek te drummer. Dat leverde soms pure verveling op en maakte dat het concert veel te lang duurde.

Over het eerste concert van die dag waren we een pak enthousiaster. Meer nog, het was een van de meer memorabele momenten van het hele weekend. Het zogenaamde Scelsi Projekt (afb. 3) door muzikanten van het Klangforum Wien was nochtans een gewaagde programmatische keuze van de organisatie, want hoewel de esthetiek van vrije improvisatie en hedendaagse muziek soms vlak bij elkaar liggen, bestaat er toch nog altijd een soort wantrouwen langs beide kanten. De vrije muziek (die voor sommigen nog steeds de revolutionaire geest in zich draagt) versus de academische, rationele muziek van het establishment. Het zijn eigenlijk huizenhoge clichés, maar ze bleken ook in Ulrichsberg nog steeds te bestaan.

Het concert was reeds begonnen en ruige, elektronische tonen borrelden uit de speakers maar op het podium was niemand te bespeuren. Een contrabas, cello, gitaar en tenorsax stonden opgesteld, maar zelfs na een kwartier was er op het podium nog geen enkele beweging waar te nemen. De traag wentelende klanken – de muziek was uiteraard gebaseerd op die van de Italiaanse moderne componist Giacinto Scelsi – masseerden de trommelvliezen steeds indringender toen plots gitarist Martin Siewert van achteruit op het podium stapte met in zijn hand een tablet. Het was dus geen tape die we al die tijd hadden gehoord, maar live-muziek aangestuurd vanop afstand. Niks voor de hardcore improv-liefhebber blijkbaar, want een aantal van hen hadden toen de zaal al verlaten, vaak met het nodige gemor.

Een voor een kwamen ook bassist en componist Uli Fussenegger, cellist Andreas Lindenbaum en saxofonist Gerald Preinfalk het podium op en lieten zich meedrijven op de fantastische muzikale stroom. Een gigantische, hermetische samenklank kwam tot stand en zorgde voor een waar kippenvelmoment. De muziek van Scelsi bleek ook hier een heel fysieke ervaring, een trilling die tot in alle zenuwbanen doordrong. “Scelsi is als Sunn 0)))” zei iemand achteraf en dat was heus niet zo’n gek idee.

De aanloop naar het allerlaatste Kaleidophon-concert dat weekend werd ingevuld door de enige soloshow van deze editie. De Zweedse pianist Sten Sandell (1958) – een dag eerder nog aan het werk met het kwintet van Paul Lytton – is in onze contreien amper of nooit te zien, dus het was een zeldzame gelegenheid om hier een concert van hem te kunnen meepikken. Sandell is in uiteenlopende projecten betrokken, gaande van exploraties binnen hedendaagse compositie en aparte bezettingen tot vrije improvisatie met Mats Gustafsson en Raymond Strid in het al sinds 1988 actieve trio Gush. In zijn soloset sijpelden daarom heel uiteenlopende invloeden binnen en combineerde hij zijn pianospel bovendien met vocale bijdragen.

Het aanvankelijk fragmentarische karakter, waarbij de pianist vaak de extremen in het lage en hoge register opzocht, vertaalde zich na verloop namelijk in een zekere structuur doordat hij altijd terugkeerde naar een akkoord pal in het midden van zijn klavier, wat steeds een nieuwe passage inleidde. Hij speelde dat akkoord telkens op een andere manier, de ene keer met het vederlichte toucher van een klassiek pianist, dan weer in fasen door verschillende noten ervan ritmisch vrij door elkaar te spelen. Door af en toe een bepaalde zone van het snarenwerk te dempen met een doek, brak hij het klankbeeld van de vleugelpiano, wat nog wat meer kleur en variatie gaf aan het geheel. Het publiek werd overspoeld door een myriade van indrukken die samen een prachtig volle soloset vormden. Een totaal lege Sandell na afloop had duidelijk het beste van zichzelf gegeven. Hopelijk zien we de man snel een keertje bij ons.

Met PaPaJo van trombonist Paul Hubweber stond een weergaloos trio als afsluiter geprogrammeerd. De groep met drummer Paul Lovens en bassist John Edwards (die na het overlijden van Peter Kowald diens plaats innam) is een van die ensembles die op elk vlak weten te verbazen, ook al denk je alles al gezien te hebben in het wereldje van de vrije improvisatie. Voor een kleine tournee die ze ondernamen, waarin ook het concert in Ulrichsberg paste, werd het trio vervoegd door niemand minder dan vocaliste Shelley Hirsch (afb. 4) en ging de groep voor even door het leven als PaPaJoSh – de naam is dan ook een samentrekking van de voornamen van de betrokken musici).

Als er ooit een handleiding wordt gemaakt over hoe improvisatoren constructief met elkaar kunnen communiceren en het publiek tegelijk ook kunnen entertainen, laat dan deze groep maar voor de input zorgen. Het gelegenheidskwartet stuiterde in haar enthousiasme bijna van het podium en wist van de meest banale elementen iets betekenisvol te maken. Hirsch charmeerde met impressionante vocale toeren en wist met absurde en humoristische teksten ook wat relativering in de muziek te stoppen. Ze imiteerde trombone van Hubweber – die koppig zijn ding bleef doen – en becommentarieerde de muziek met allerlei onverwachte vondsten. Edwards plooide zijn bas schijnbaar vierdubbel, trok aan de snaren en wreef het vel zowat van zijn vingers en handen. Zijn interacties met Lovens waren van uitzonderlijk hoog niveau, het was een spelletje van aanpakken, een schijnbeweging uitvoeren en weer teruggeven.

Het kwartet reeg de meest diverse passages aan elkaar, waarbij zelfs een jazz standard passeerde die Hirsch spontaan van een eigen tekst voorzag. Tijdens een wat meer ingehouden solomoment van Lovens, weerklonk plots “Johannes! Johannes!”. Het was de drummer zelf die zich tot zijn pas overleden vriend richtte en iedereen er nog eens aan herinnerde dat men veel te vroeg afscheid had moeten nemen van deze fantastische muzikant. Het concert van PaPaJoSh omvatte op die manier een heel spectrum aan emoties en indrukken, gaande van bezinning en begeestering tot humor en extase. Kortom een gedroomde afsluiter van deze driedaagse marathon en eentje die ons ondanks de vermoeidheid alweer zin gaf in een volgende festivaltrip. Al moeten we dat eerst thuis nog verkocht krijgen.

De schilderijen die het verslag illustreren, zijn van de hand van kunstenares Gina Southgate. Je kan haar regelmatig tegenkomen op festivals doorheen Europa, waar haar werk tijdens de concerten live tot stand komt. Bekijk haar visueel verslag van Kaleidophon 16 en de rest van haar kleurrijke portfolio op artistginasouthgate.weebly.com.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 − acht =