Lyenn :: Slow Healer

Hij heeft er zijn tijd voor genomen. Zeven jaar geleden debuteerde Lyenn met The Jollity Of My Boon Companion, twee jaar later gevolgd door de EP Vowels Fade First, maar daarna is het wat solo-releases betreft opvallend stil gebleven. Slow Healer zet gelukkig de lijn van die eerste releases verder en biedt opnieuw sterk luistermateriaal.

Ook de traditie om met internationale topmuzikanten samen te werken voor de opnames wordt hier opgevolgd: duizendpoot Shahzad Ismaily is alweer producer, Marc Ribot speelt wat gitaarlijnen in, en een kleine horde Ijslanders (waaronder Gyda Valtysdottir, oud-lid van múm) verzorgt de subtiele maar rijke arrangementen. Al moet meteen opgemerkt worden hoezeer Lyenn zichzelf deze keer centraal geplaatst heeft binnen een klankvorming die van de ingehouden spanning zijn handtekening maakt. De plaat mag dan wel in Ijsland opgenomen zijn, het mag duidelijk zijn dat de sferen hier vooral die van Lyenn zijn en niet per se die van geisers en fjorden, laat staan Sigur Rós en Björk.

De twee eerste nummers “In Reveries” en “Vaguely Lit”, waar Lyenn respectievelijk zijn ijle zang op bouzouki en akoestische gitaar begeleidt, ontluiken bijvoorbeeld langzaamaan met beperkte extra middelen. De tussen blues en folk aarzelende opener “In Reveries” doet dat naar het einde toe met een prachtig stukje samenzang en het duister dreunende “Vaguely Lit” door subtiele drums en iele schraapgeluiden op te stapelen. Van iel en geschraap gesproken: de geïmproviseerde track “Keep It Still” weet een bijzonder onheilspellend bevreemdingseffect in de plaat te introduceren.

Elders durft al eens een bescheiden crescendo opduiken, zoals in “Lion’s Heart”, waar synths (van Francesco Donadello) en gitaren zich alsmaar intenser om elkaar heen beginnen te wikkelen, maar van echt ontploffen is hier noch elders sprake. Slow Healer is daardoor, meer nog dan het debuut, een echte nachtplaat geworden, eentje waar de gevoelens zich onderhuids afspelen, vaag afgetekend in starende ogen, maar nooit echt duidelijk aan het oppervlak opduikend.

Mogelijk is dat een reactie op de vele bandactiviteiten waar Lyenn zich in de tussentijd mee bezig hield: met Mark Lanegan tourt hij de halve wereld rond en in Dans Dans vormt hij het ankerpunt waarrond de instrumentale gekte van zijn kompanen bij elkaar wordt gehouden. In die zin houdt de meer ingehouden aanpak van zijn soloproject absoluut steek en krijgt deze muziek als het ware de aura van een intiem toevluchtsoord, een plaats waar de artiest inderdaad traag van zijn wonden kan genezen.

De toegenomen nadruk op de piano onderstreept dat nog eens extra. “Show Me The Way” en afsluiter “Theme” worden aangedreven door een fluwelen paar handen die de ivoren toetsen in alle stilte bestrijken. In feite gaat dat op voor alle instrumenten die hier bespeeld worden, tot aan de stem toe. Dat een zekere Anne Chibrac de Coupiac specifiek in de credits staat als fluisteraar is in dat opzicht opnieuw veelzeggend.

Geen grote gebaren dus op deze tweede langspeler. Lyenn heeft dan ook absoluut niets meer te bewijzen: dit is muziek van een zelfverzekerde artiest die er geen graten in ziet zichzelf muzikaal naakt te plaatsen, om zijn demonen vocaal en instrumentaal te ontketenen. Arrangementen zijn daarbij niet onbelangrijk, maar leiden nooit de aandacht af van de essentie die Lyenn met zijn uit de duizend herkenbare stem en muzikale begeleiding presenteert.

Lyenn gaat uitgebreid touren in de volgende maanden als voorprogramma van Mark Lanegan, maar speelt op 13 mei een album release show in de Botanique.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 + vier =