Troy Von Balthazar :: Knights Of Something

Zwart, zwarter, zwartst. En dan heb je Troy Von Balthazar. Al enkele albums lang staat deze man garant voor giftige lo-fi. En aan dat rijtje voegt hij nu opnieuw een mooi werkstuk toe.

De muziek van Troy Von Balthazar zou je kunnen omschrijven als lo-fi met een sardonische lach op het gezicht. Sarcasme en cynisme kleuren zijn teksten en ondertussen biedt de rammelende muziek al niet meer hoop. Wij weten niet wat de Amerikaan allemaal heeft moeten doorstaan in zijn leven (en willen het misschien niet weten), maar als we op zijn platen moeten afgaan, zal het niet zo fraai geweest zijn.

Zijn parcours loopt ergens een beetje gelijk met die andere nachtelijke held, A.A. Bondy, die ons met Believers enkele jaren al een bescheiden meesterwerkje in de maag spitte. Beiden brachten het grootste deel van de jaren 90 door in alternatieve rockgroepen (respectievelijke Chokebore en Verbena) die eigenlijk vooral een weg richting nergens bewandelden. Beiden verblijden de wereld nu om de zoveel tijd met mooie plaatjes en beiden doen dat met een heel kenmerkende, sfeervolle stem. En ook al zong Von Balthazar op zijn tweede, schitterende lp How To Live On Nothing nog ironisch over wanneer hij ooit heel “famous” zou zijn, een grote doorbraak zal er ook nu weer niet echt inzitten– voor geen van de twee trouwens, en we betwijfelen of die er ooit nog gaat komen.

Wat niet wil zeggen dat u dit plaatje geen kans moet geven. Zeker mensen die zich wel eens willen wentelen in de donkerdere kant van het menselijke bestaan, zullen Knights Of Something met plezier een nachtje omarmen. Een grote evolutie ten opzichte van zijn vorig werk is er niet, maar zolang Von Balthazar dezelfde kwaliteit blijft aanleveren (en dat doet hij hier), maakt dat eigenlijk niet veel uit. Album nummer vier blijft een beklijvende trip door de speciale, constant dreigende sfeer en Von Balthazars bijna fluisterende stem die je niet loslaat. “Surfer” en “Thugs” zetten meteen de toon met het soort lofi- bliepjes dat herinneringen aan Grandaddy oproept, maar dan met een forse laag zwarte verf erover in plaats van de speelsheid van die legendarische indiegroep. Maar ook zonder die extra’s boetseert Von Balthazar pareltjes: “Smarte” bijvoorbeeld is een beklemmend pianonummer, een torch song bijna, met enkel wat kille gitaar hier en daar als extra. Je haren blijven echter een heel nummer stokstijf staan.

Diezelfde haren blijven daarna omhoog voor “Empire Of My Hate”, een cynisch hoogtepunt waarbij de zanger zich ook enkel laat vergezellen door een langzaam slepende gitaartokkel. Hij lijkt je echter zo rechtstreeks in het oor te prevelen dat je niet anders kan dan geïntrigeerd, rillend luisteren. Ondertussen mompelt hij “This is the entrance to the empire of my hate”– zijn bittere gifpijltjes waarvan je niet het doel wilt zijn. Daarna is Von Balthazar onze aandacht echter even kwijt met het scheef gezongen “New World Lamb” en het te grijze “Touch Is Meat”. Met het sterke “Curses!”, waarbij op de achtergrond weer de bliepjes opduiken en de instrumentatie en stem mooi op elkaar inhaken, herpakt hij zich echter weer voor de laatste eindsprint. Want het hoogtepunt, het grootste venijn van de plaat, bevindt zich, zoals dat gaat met venijn, in de staart. “Manic High” is een onheilspellende koortsdroom, alsof je in een te duistere steeg waar je echt niet wil zijn, verzeild geraakt bent en het bloed al bijna vloeit.

Soms baadt Knights Of Something misschien een beetje té veel in eenzelfde sfeer, waardoor je aandacht als luisteraar af en toe wel eens durft afglijden. Maar op andere momenten trekt Von Balthazar je dan weer wel helemaal mee in zijn eigen wereld en dan ben je weer blij dat je dit album kan koesteren. Om met L.H. Wiener te eindigen: Knights Of Something is misantropie voor gevorderden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 − vijf =