PUKKELPOP 2015 :: Happiness — het merk

Dag Drie

Geen verplichtingen vandaag, of het zou de combo War On Drugs – Evil Superstars moeten zijn. We smeren onze kuiten alvast in voor dat spurtje Main Stage – Marquee straks, en zakken gemoedelijk af naar de Kiewitwei voor een dag op maat gesneden van de al ietwat uitgebluste festivalganger.

De dagen dat we nog wild uit ons dak gingen op The Subways liggen immers ver achter ons. Toch nog eens gepasseerd, for old times’ sake, en niet beklaagd. Pretentielozer dan dit wordt het immers niet. Ook tien jaar na hun debuut brengen Billy Lunn, (jolig, gitaar), Charlotte Cooper (feisty, bas) en Josh Morgan (teruggetrokken beukend, drums) nog steeds dezelfde poppunk als toen en nog steeds heeft dat “Rock-‘n-Roll Queen” geen beetje aan frisheid ingeboet. Wanneer Lunn een van de strofes ook nog in uiterst charmant en puik Nederlands vertaalt (sample “Jij bent de zon / Jij bent zo cool / Pukkelpop is rock-‘n-roll”) stikt dat een stevige grijns op ons gezicht. Je vergeeft hen meteen dat ze opnieuw veel te hard in de zak publieksspelletjes grabbelen — hop, daar gaan we weer even door de knieën om daarna hard recht te springen — en dendert gewoon mee op dat nog onverslijtbare tiener-anthem “Oh Yeah”. Smaakte lekker als aperitief.

Over naar het stijlicoon van de dag: Shamir. Het is onmogelijk om het niet te hebben over de looks van de jongen-annex-diva, die met zijn lange rastavlechtjes, roze hemdje en goudgeel gelakte nagels een volstrekt eigenzinnige invulling geeft aan de term “androgyn”. Maar meer nog dan zijn kledingkeuze, is het zijn wat vreemde, hoge stemmetje dat alle aandacht naar zich toetrekt. Het is de basis voor drie kwartier funky pop, met als stuiterende uitschieter opschepperig hitje “On The Regular”. “No multiple choice / ’cause I’m the only answer” klinkt het over een onstuitbaar koebelritme en dankzij de onweerstaanbare flair waarmee hij z’n teksten debiteert, kun je niet anders dan dat geloven. Meer dansbaar lekkers in “Make A Scene” — Donna Summer zou trots op hem zijn — en “Demon”, waarin de achtergrondzangeres iets griezeligs doet met een vervormer die haar de meest mannelijke stem op dit podium geeft. Dat sommige nummers niet meer zijn dan dertien-in-een-dozijn disco, kan de pret niet drukken: als Shamir aan het eind van de set in het publiek duikt, bewijst een ellenlange reeks selfies dat hier heel wat zieltjes gewonnen zijn.

Uit ander stof gesneden: Kate Tempest, een ratelende, potige dichteres met het stijlgevoel van een blinde, die haar maatschappijkritische verhalen op een bedje van potige beats legt en geen gevangenen neemt. Tekst na tekst — kunnen we hier wel van songs spreken? — vuurt ze haar tirades tegen consumentisme het publiek in. “As long as you live for the way you’re perceived / You will never create, only bite things” luidt het in “Chicken” en na een dreunend en opzwepend “Circles” — het enige moment dat een herkenbaar refrein er bijna een song van maakt — luidt het ten afscheid virulent “Happiness, the brand, is not happiness”, als een Patti Smith voor de éénentwintigste eeuw. Zelfs al is die van de twintigste nog niet versleten: exact wat we nodig hadden.

“Jullie zijn met veel, ‘t is griezelig”, stelt een verbaasde Gertjan Van Hellemont — u kent hem misschien beter als Douglas Firs — vast in een volle Wablief?! Zoekt iedereen wat schaduw en nemen ze daarom de licht herfstige achtergrondmuziek maar voor lief? Daar lijkt het niet op: openingsduo “Caroline” en “Summer’s Leaving” wordt érg warm onthaald. Dit is degelijke, goedaardige americana en het mooie duet met Bram Vanparys en Cleo Janse (Bony King) roept zelfs aangename herinneringen op aan The Low Anthem, maar na een handjevol nummers gaat het helaas ook wat vervelen; niet in het minst omdat de stem van Van Hellemont nu ook weer niet zo lang boeiend blijft. Vergeef ons dus dat we even indommelen, om pas aan het eind weer wakker geschud te worden door vreemde eend in de bijt “Don’t Buy The House”. Wij volgende keer wat vroeger naar bed, zij nog wat meer sterke nummers en dan komt het misschien wel goed.

Even een uitstapje naar de Baraque Futur gedaan, waar alles draait om duurzaamheid en de jazz van Nordmann helaas dood valt onder de felle zon. Smaakte daarbij wel: dat Pukkelpopbier (licht, fruitig en ietwat hoppig), dat ons voor even deed denken aan het Engelse End Of The Road dat we dit jaar moeten missen. Mooi initiatief en even overwegen we de lange rij aan te schuiven om voor één bonnetje (één) een oud Pukkelpop-t-shirt te kopen. Bleken ze toch onze maat niet meer te hebben. Zonde.

Tijd om de Joke Schauvlieghe Award voor gehoorschade uit te reiken en wel aan Viet Cong. Dit woeste, zweterige viertal — dat schijnbaar kennismaakte op een cursus anger management — laat met zijn postpunk immers geen spaander heel van de Club, al lijkt dat in het begin nog mee te vallen. De eerste paar songs, “Throw It Away” op kop, pakken het nog relatief rustig aan en zorgen voor hooguit wat voorzichtig hoofdgeknik. Het klinkt allemaal moeilijk doordringbaar, al valt er altijd wel ergens een flard melodie te ontwaren. Maar dàn: duo “Continental Shelf” en “Death”. Het eerste een wereldnummer dat met zijn meeslepende gitaarriff van het meefluitbaarste is (nu ja) dat Viet Cong al maakte en “Death” het alles verpulverende slotakkoord. Eentje van ruim vijftien minuten meer bepaald, waarbij de groepsleden — en dan vooral beestige drummer Mike Wallace, wiens zweet en speeksel in het rond vliegt — opbouwen, en opbouwen, en opbouwen, tot een spannende climax waarin eigenlijk niet veel meer gebeurt dan Wallace die met goedgemikte mokerslagen zijn drumstel haast de grond intimmert. Loeihard is het, een episch kwartier dat ons met open mond en ongemakkelijke trommelvliezen achterlaat.

(mvs) dan: die raakt langzamerhand mentaal zo leeg, dat hij alweer verkeerdelijk voor de Dance Hall kiest. En in tegenstelling tot enkele jaren geleden, staat die deze keer afgeladen vol voor Charli XCX. Minpuntje: haar dancepop is er niet op vooruit gegaan. Nog steeds moet ze het hebben van holle slogans als dat “I don’t care / I love it”, dat ze voor Icona Pop schreef, en natuurlijk brult een horde tieners die het naderend onheil al voelen aankomen uit volle borst mee “I don’t wanna go to school / I just want t break the rules”. En dan mevrouw van godsdienst tegenkomen, natuurlijk. Tja, die is ook nog altijd jong, ziet u, en ook zij heeft geen hol goesting in september. Ach, jullie raken er samen wel uit, kinderen; wij verlaten dit plein met zijn Boiler als oord van verderf, want het is tijd voor heropstandingen.

Heropstanding 1: die van Dead Souls, natuurlijk, maar vooral van Joy Division; want dat is de band die hier gecoverd wordt. Na een kleine tien jaar pauze kwam de groep op vraag van Stijn Meuris nog eens bij elkaar en meteen speelt het kwartet de rest van de affiche vandaag naar huis. Dat is niet alleen te danken aan het onverslijtbare oeuvre van Ian Curtis en de zijnen, maar vooral aan de afwerking door deze muzikanten, die geen moeite doen om voor look-a-likes door te gaan, maar de sound van de legendarische Britse band tot in de puntjes recreëren. “Transmission” schiet hoekig alle kanten uit, zoals het moet en alsof het geen 35 jaar geleden is, hangt hier opnieuw de dreiging van de punkjaren waaruit de groep groeide. Het is dat we geen medestanders vonden of we hadden bij “Warsaw” ter plekke een goeie pogo gestart. Neen, Dead Souls legt de doem er niet te dik op, maar vat Joy Division nog eens in de essentie samen. Van ons mag er een reünietournee volgen.

Er is veel gebeurd voor The War On Drugs sinds hun vorige grandioze passage in Hasselt, ergens laat op de avond in de Club. Plaat van het jaar in zowat alle mogelijke lijstjes, een tour die hen eerder deze zomer ook al tot in Werchter bracht en nu dus een plek op het hoofdpodium van Pukkelpop. Het is zes uur en de zon gloeit nog steeds ongenadig: allesbehalve een headlinerspot en dat doet de band geen deugd. Opener “Burning” mist de energie die dit de knaller van het concert had kunnen maken — al maakt ons hart wel een vreugdesprongetje bij die eerste “whoo!” van Adam Granduciel — en ook “Baby Missiles” waait weg over de roodverbrande hoofden, ondanks de bijtende, Dylaneske manier waarop Granduciel zijn teksten debiteert.

Moeilijke start dus, maar gelukkig is daar “An Ocean In Between The Waves”. “Godverdomme ja!”, brult een zweterige veertiger naast ons wanneer Granduciel loos mag gaan op gitaar: we konden het zelf niet beter zeggen. De band gooit er dan meteen ook maar “Red Eyes” achteraan, dat zelfs bij dertig graden voor kippenvel van onder tot boven zorgt én ook nog “Eyes To The Wind”, het nummer dat Springsteen vergat te schrijven, met zijn epische sax-piano combo. Helaas is het vat dan wel zo’n beetje af: te veel songs als “Under The Pressure” die met verbazingwekkend weinig passie neergezet worden en vooral ook vragen om een donker hol, waar een langgerekte solo níet het excuus is om een nieuwe lading bier te halen. Volgend jaar nog eens, alstublieft, maar dan graag weer in een tent.

Heropstanding 2: Evil Superstars, dat na jaren van dreinen, zeuren en pesterig moeilijke sets, eindelijk die echte reünie houdt. Alhoewel, wat zou deze niet-recalcitrant zijn? Zelfs al doen Mauro Pawlowski en de zijnen hier een toegift, het blijft nog steeds verdomd eigengereid en dus moet de intro van “Satan Is In My Ass” meteen plaats maken voor een oorverdovend “1.000.000 Demons Can’t Be Wrong” en dat zet meteen de toon. “Dit moet niet opgeklopt worden”, liet Mauro vooraf noteren en gelijk heeft hij. Op dat legendarische afscheidsconcert op Pukkelpop 1998 kon je halverwege ook nog tot vooraan wandelen en ook vandaag is het niet gek om te begrijpen waarom Evil Superstars twintig jaar geleden slechts cultsucces ten deel viel.

Het is briljant, wat deze muzikanten uit hun instrumenten schudden, maar het is vooral briljante waanzin; chaos die grenst aan de black metal, ondraaglijk luid lawaai en dan toch plots: die simpele groove van “B.A.B.Y.” (eindelijk “Smart sex with a winner” meekwelen, dat deed deugd), of zelfs “I’m On A High” van Millionaire. Wie even niet meer mee is, kan zich altijd nog staan verwonderen over de kunstjes van bassist Bart Vandebroek – die balanceeract met de microfoonstandaard zou het ook in het circus goed doen — of de compleet geflipte visuals van naakte vrouwenlichamen en een videospelletje met lieve trollen die één voor één afgeknald worden. Dit is immers een set die véél vraagt van de luisteraars, zelfs al blijven Pawlowski en gitarist Tim Vanhamel ultieme podiumbeesten, maar die uiteindelijk ook beloont: na het oorverdovend applaus en een reeks buigingen krijgen we dan toch de ultieme toegift met “Sad Sad Planet”, ooit op tien minuten geschreven omdat de platenfirma een hit nodig had, vandaag een kleine ademteug na zoveel geweld. Iedereen kan tevreden naar huis; het hoofdstuk Evil Superstars heeft eindelijk zijn bevredigend einde gekregen.

Zo moeilijk als de Superstars in hun tijd deden, zo publieksvriendelijk doet The Offspring het. Doorbraakplaat Smash is twintig jaar oud en dus is de groep zo beleefd om daar tijdens zijn set diep uit te putten. Kunnen wij — oudere pubers in hart en nieren — nog eens meebrullen met dat “Bad Habit” uit onze jeugdjaren, maar eerlijk gezegd voelen we vooral een knauw in het hart elke keer we de opgeblazen kop van Dexter Holland op het scherm zien. Dit is geen punk meer, als het dat ooit al was; dit is zielloos blijven cashen op voorbije glorie en het houdt jongere en betere groepen van een terechte stek op het hoofdpodium. Het is tijd dat dat nostalgie-circus eindelijk stopt.

Crowdsurfen verboden op Pukkelpop? Daar is bij de doortocht van Raketkanon weinig van te merken. Na verwoestende passages op onder meer Dour (met het incident met brandblusapparaat, weet u nog?) en Rock Herk (in een bomvolle, uitzinnige tent) mag de Wablief?!-tent opnieuw voor de bijl gaan. Geen brandbluspoeder, tongzoenen of functioneel naakt, wel een retestrakke show zoals we van de band gewoon zijn. De opgefokte fans maken echter het verschil. De tofste tent op Pukkelpop is non-stop een waar slagveld. Het publiek lijkt op een bataljon losgeslagen guerillastrijders aangevoerd door de vier oorlogsdirigenten op het podium. Het zweet druipt van het plafond en we hebben de indruk dat de houten vloer op elk moment kan openbarsten van de verwoestende uithalen. Als er botten gebroken worden op Pukkelpop dan gebeurt dat zeker tijdens Raketkanon. “Alles kapot” is immers sinds jaar en dag het motto van deze Gentenaars. Aan onze pollentiekers met enige culturele bagage: geef de vetste Belgische rockband van het moment subsidies zodat ze Europa kunnen veroveren. Wat in de Wablief?! werd klaargespeeld, kan ook in Oslo, Boedapest of Barcelona.

Tame Impala is sinds Lonerism aan een steile opmars bezig en met het uitstekende nieuwe Currents onder de arm lijkt die nog niet snel stil te vallen. De Marquee is dan ook zeer goed gevuld voor de psychedelische Australiërs. Alhoewel: Tame Impala staat intussen voor veel meer dan alleen dat adjectief. Currents toonde een nieuw gezicht en geluid van een groep die toch altijd onmiskenbaar als zichzelf blijft klinken. Het concert is dan ook een mooie dwarsdoorsnede van de laatste twee platen waarbij alle nummers mooi in elkaar overlopen en er geen storende breuken in sound te merken zijn. Van Innerspeaker haalt maar een song de setlist en de plaat wordt zo duidelijk naar achteren geschoven. Misschien heeft Parker er muzikaal gewoon al te veel afstand van genomen? Maar de nummers van Currents, of het nu opener “Let It Happen” of een geweldig “The Less I Know The Better” is, staan in ieder geval als een huis. De band sleurt het publiek mee op een psychedelische werveldwind, “Elephant” wordt stevig meegestapt en ook “Feels Like We Only Go Backwards” kan op heel wat enthousiasme rekenen. Bovendien heeft de groep ook ietwat voorspelbare maar in ieder geval sfeervolle visuals meegenomen. Als afsluiter laat Tame Impala iedereen nog eens zweven met een geweldig uitwaaierend “Apocalypse Dreams”, waarin je echt het hart van de groep voelt kloppen.

Nog een laatste bezoekje aan de Castello, voor we straks naar huis gaan? Wel ja, daar staat namelijk onze favoriete Noor Todd Terje. Terje maakte met It’s Album Time een heerlijk tropische elektronicaplaat en brengt vandaag The Olsens mee, die met bas, dwarsfluit, bongo’s en meer van dat fraais voor een extra exotische touch zorgen. Dat werkt vooral erg goed in de conga van “Svensk Sås” — Gloria Estefan is niet ver weg — en “Alfonso Muskedunder”, spacy cocktailmuzak met een vrolijke beat. Schitterende visuals ook, een tot leven gekomen Tati-affiche uit de fifties. En dan moet het absolute, niet geheel onverwachte hoogtepunt nog komen: de bliepjes en discosynths van “Inspector Norse” doen de vloer daveren, lichten alle piketten uit de grond en schudden de tent eens flink door elkaar. Een extatisch publiek blijft minutenlang applaudisseren — een staande ovatie, ware het niet dat zelfs de ronkende dronkaards op de vloer van de Castello al lang mee stonden te feesten. Wie heeft er Netsky nodig als je Todd Terje kunt krijgen?

En daarna was het meteen hollen naar Alt-J, dat ondertussen op de mainstage aan zijn headlinertaak was begonnen, wat niet makkelijk beloofde te worden. Tweede plaat This Is All Yours bleek sowieso al een minder makkelijke binnenkomer dan het debuut van de Britten en met de gelaagde muziek van Alt-J was het maar de vraag of de groep zou standhouden op de mainstage. Het antwoord op die vraag is: half en half. Het is natuurlijk altijd leuker een groep als deze in een kleine zaal of tent te zien, maar het gevreesde debacle blijft ook uit. Dat het donker is en de groep wel wat sfeervolle visuals heeft voorzien, vangt de statische podiumpresence en het totale gebrek aan charisma van de groep wel wat op en ook de songs werden niet volkomen weggeblazen door de grootte van de wei. Sommige nummers, zoals “Taro”, worden stevig vertimmerd, en de groep haalt vooral veel publieksfavorieten uit de eerste plaat naar boven. “Matilda” blijkt wat te fragiel voor de mainstage, maar “Tessellate”, “Breezeblocks” en “Fitzpleasure” kunnen zeker bekoren. Zelfs de songs van de tweede plaat, zoals “Bloodfood Pt. II.”, komen overtuigend over en doen ons zelfs zin krijgen om deze nog eens van onder het stof te halen. Alt-J is zeker niet de gedroomde headliner die het vuur aan de lont steekt, maar hun passage is nog altijd duizend keer beter dan die van de groepen die de mainstage de twee avonden ervoor had geteisterd.

Alt-J gedaan, stofzuigers aan: geen spreekwoord van onze Poolse kuisvrouw (die loeit daar los door), maar de naakte feiten. Met “Leave Them All Behind” opent Ride op zijn meest shoegaze en op dat standje blijven de Britten nog even staan. Andy Bell haalt grootse stofwolken uit zijn effectenpedalen, Steve Queralt zorgt voor losse, bijna dansbare ritmes die zeker in “Vapour Trail” al eens Stone Roses in herinnering brengen. Met “Seagul” updatet de groep dan weer The Beatles’ “Tomorrow Never Knows” naar de jaren negentig.

Slimme setlist waar de groep voor kiest overigens. Niet te veel uit die laatste, veel te veel naar Britpopgoedkeuring hengelende, platen waarmee het Rideverhaal halfweg de jaren negentig langzamerhand uitdoofde, maar vooral het wazige werk uit debuut Nowhere, en — zo benadrukt een enthousiaste fan ons na afloop — ook de vroege EP’s. Hij blij, wij blij wanneer dat culmineert in een woeste apocalyptisch “Drive Blind” waarin Bell en frontman Gardner al hun gitaarduivels ontbinden. “Chelsea Girl” is erna niet meer dan een lief uitwuifliedje, dat Pukkelpop officieel uitgeleide doet.

Want wij zijn geen zestien meer en al hebben we het grootste respect voor de zorg waarmee Netsky zijn show op de Main Stage brengt — met livedrummer en in afsluiter “Rio” zelfs een heuse sambaband — we zijn ook geen zestien meer en daar in het publiek wat amechtig met onze armen wapperen, stààt ons niet meer. Maar u bent blij met Boris Daenen en wij zijn dat voor u.

Over Pukkelpop 2015 liggen de gedachten dan weer in een vertwijfelde knoop. Dit was misschien wel de flauwste affiche in tien jaar, één waarin werkelijk geen enkele headliner echt die plek waard bleek en de hoogtepunten ook elders relatief schaars bleken. Het voordeel was dat er op die manier tijd overbleef om de vele vernieuwingen te checken die het jarige festival doorvoerde en daar is de balans meer dan positief. Zowel Food Wood, met zijn vele, bijna Best Kept Secretwaardige, eetstandjes en het sympathiek op duurzaamheid inspelende Baraque Futur bleken een schot in de roos. Pukkelpop heeft de zucht naar meer sfeer en gezelligheid bij de festivalganger duidelijk begrepen en op de juiste manier ingevuld. Nu nog die herbruikbare bekers op het hele terrein invoeren en Pukkelpop helpt ons weer een stapje dichter bij die ideale wereld.

Maar zorg volgend jaar eerst en vooral toch voor een affiche die de moeite waard is. Dat éérst, Eppo.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + 10 =