William Fitzsimmons :: Pittsburgh

Datgene wat men in het Duits met het prachtige woord Heimat aanduidt: Edgar Reitz besteedde er ooit tientallen uren film aan, om uiteindelijk toch vooral duidelijk te maken dat je er nooit aan ontsnapt. Je groeit er op, trekt er weg, maar ooit keert iedereen er naar terug, hoe hard de deuren ook in het slot gevallen zijn bij het vertrek.

Pittsburgh: hoofdstad van Pennsylvania, stad van staal, maar ook de geboorteplaats van William Fitzsimmons, waar hij werd opgevoed door twee blinde ouders. De man speelde al bijna tien jaar met het idee eens een album op te nemen over de stad waarvan hij afkomstig is, maar het was uiteindelijk de dood van zijn grootmoeder eind 2014 die hem aan het schrijven zette. En dat heeft het mooie, slechts zeven nummers tellende miniplaatje Pittsburgh opgeleverd, zowel een ode aan de stad als aan zijn grootmoeder. Het album is muzikaal veel soberder dan de laatste drie albums van de bebaarde Amerikaan. De songs op The Sparrow and the Crow, Gold in the Shadows en Lions kwamen immers allemaal tot stand in een grote studio, wat er meteen voor zorgde dat deze nummers soms iets te proper en afgelikt klonken. Fitzsimmons schurkt soms sowieso al wat tegen het pathetische aan, maar op die platen durfde hij die grens al wel eens overschrijden. Te luide drums of overvloedige arrangementen deden de songs dan ook al eens verdrinken in het grote gebaar.

Neen, dan liever Until When We Are Ghosts en Goodnight, uitgepuurde, krakende platen die diep in de ziel kerfden en na al die jaren nog steeds slapeloze nachten van een soundtrack voorzien. Zijn eerste twee platen nam Fitzsimmons immers gewoon alleen thuis op, waardoor een al te cleane productie hierop helemaal afwezig was. Ook deze nieuwe Pittsburgh heeft de zanger op zijn eentje geschreven, opgenomen, geproducet en gemixt, en hierop staan de stem en akoestische gitaar weer volledig centraal. Af en toe, zoals in de mooie openingssong “I Had To Carry Her (Virginia Song)” of in de titeltrack, komen bij een voorzichtige tokkel dan nog enkele subtiele aanslagen op de piano bij die heel wat bijdragen aan de sfeer. Op die titeltrack stijgt zeker in het refrein alles mooi op. In “Falling On My Sword” is het dan weer een orgeltje dat die rol mag vervullen. In het slotnummer “Ghosts of Penn Hills” komen uiteindelijk toch nog wat strijkers aan bod, maar ze doen het nummer niet verdrinken in bombast en vormen juist een mooie aanvulling op de gitaar. Alleen op “Better” botst Fitzsimmons met zijn hoofd tegen een muur van te opdringerige beats. De Amerikaan bewees in het verleden nochtans wel overweg te kunnen met wat subtiele elektronica, maar hier verwoest de song echt volkomen de sfeer van de rest van het album.

Op de tonen van die akoestische soberheid begraaft Fitzsimmons tegelijk zijn grootmoeder en zijn verleden in Pittsburgh. Hij verontschuldigt zich voor zijn lange afwezigheid (“I Had To Carry Her”, “Pittsburgh”), staat hulpeloos te wezen aan haar sterfbed (“Falling On My Sword”, “Better”), maar laat uiteindelijk toch los, zich ontfermend over zijn kinderen, die haar liefde enkel uit verhalen zullen leren kennen (“Beacon”, “Ghosts of Penn Hills”). Vrede komt, en Fitzsimmons laat eindelijk zowel zijn grootmoeder als Pittsburgh, de stad die hen beiden bond, achter zich, met enkel een zeer mooi plaatje als aandenken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − 6 =