The Districts :: A Flourish and a Spoil

Eerder deze week ontkrachtte Ian Curtis nog eens via onze luidspreker de evenredigheidsformule tussen leeftijd en kwaliteit. De man liet het leven op zijn 23ste, maar heeft wel mooi twee knoerten van platen gebaard met Joy Division.

Om maar te zeggen: ja, die van The Districts kunnen een tweede album uitbrengen nog voor ze aan de unief hun eerste les skippen en ja, die plaat kàn een geweldige klassieker worden. Immers, Onstuimige Rock en Driftige Jeugd zijn voorbestemd om elkaar naar rechts te swipen en onchristelijke dingen te doen in iemands garage. Misschien was dat ook de bedoeling van The Districts toen ze A Flourish and a Spoil bij elkaar dachten.

In dat geval moeten ze hun strategie nog eens onder de loep nemen, want de nummers waarmee de vierkoppige band uit Pennsylvania nu komt aandragen, zijn vaak te flauw. Waar “Peaches” zich nog laat uitgeleiden met een swingende outro en zanger Rob Grote in “Chlorine” een doorn laat groeien op z’n refrein, is bij “Hounds” van attitude helemaal geen sprake meer. Net waar gitaren en drums ruim baan maken om op te trekken tot 150 km/u, struikelt Grote twààlf keer opnieuw over dezelfde vier woorden. De onhandigheid blijkt genetisch: “Sing the Song”, een nummer dat kan dienen als soundtrack bij een vergetelijke romantische komedie, sputtert achttien keer ter hoogte van de outro. Het zal wel dat Grote een punt wil maken, maar iedereen staat al pinten te bestellen aan de bar.

Het is eigenaardig dat het album zo gezapig kabbelt, want de producer — John Congleton, terecht gelauwerd voor zijn werk met St. Vincent, Strand of Oaks en Swans — bestreek het hele goedje met een grove korrel Lo-Fi om de rauwheid van de band live op schijf te capteren. Doet-ie niet zomaar, die Congleton. Sinds hun one-take performance van “Funeral Beds” ergens in een studio in 2012 de Youtube-jackpot won, genieten The Districts immers een uitstekende livereputatie. De distortion mocht niet baten: A Flourish and a Spoil is te veel folk rock en My Morning Jacket om te bevestigen als een plaat die óók garage punk en Cage The Elephant aankan.

Ergens halverwege tussen die Flourish en die Spoil treffen we dan toch een nummer dat wel kleur bekent. “Suburban Smell” is nochtans geen centrale node — eerder een rustpunt: akoestisch en ongelaagd, maar wel oprecht en een tikkeltje balorig. Grote ontplooit er zich als de getormenteerde singer-songwriter die van z’n oren maakt tegen rijkeluiskinderen, rugbyteams en rijtjeshuizen. Het is een nummer waar Holden Caulfield naar zou kunnen luisteren zonder het phoney te vinden.

“Suburban Smell” blijft evenwel de enige anomalie die een autopsie van de plaat oplevert. Verder niets dat wijst op beschadigde cellen of vlees gelittekend door een gebotvierde fetisj. A Flourish and a Spoil is afgewerkt met kennis van zaken, maar blijft het resultaat van een standaardjob, grotendeels verstoken van mysterie, lagen en dooraderde emotie. Neen, dat bandje van wijlen Ian Curtis heeft het er niet makkelijker op gemaakt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 + 19 =