DOSSIER THE BAND 2: Rock of ages :: Een nieuwe Amerikaanse mythe

Na al die jaren is The Band nog steeds een Amerikaans enigma: vijf gewone jongens met een gewone groepsnaam die met Music From Big Pink (1968) en The Band (1969) twee buitengewone platen gemaakt hebben. Beide platen zouden het geluid en gezicht van The Band bepalen voor de rest van hun korte, maar hevige carrière.

“Isn’t everybody dreaming / Then the voice I hear is real / Out of all the idle scheming / Can’t we have something to feel?”

Toen Music From Big Pink, het debuut van The Band, in de zomer van ’68 verscheen, waren het in de VS woelige tijden, misschien zelfs de meest turbulente sinds WOII. De protestcultuur van mei ’68 kwam steeds vaker en gewelddadiger onder vuur te liggen, Martin Luther King was in april van datzelfde jaar vermoord met bijbehorende gewelddadige protesten in Chicago als gevolg. Als klap op de vuurpijl was de Vietnamoorlog in volle gang. Veel mensen waren het vertrouwen in Amerika volledig verloren.

Muziek voor jongeren was dan ook rock-’n-roll: muziek die rebelleerde tegen alles en iedereen wat ook maar een beetje autoriteit had, tegen de ouders, maar ook tegen de regering. Ondertussen bereikte ook de psychedelische muziek zijn hoogtepunt: de arrangementen werden steeds complexer en extravaganter (zoals de kledij), met meer gebruik van exotische, vaak Indische instrumenten, keyboardeffecten en andere studiotrucs. The Band stond lijnrecht tegenover deze vaak excessieve popmuziek.

Alleen al de doodeenvoudige groepsnaam leek een nieuwe soberheid aan te kondigen die mijlenver lag van toenmalige bandnamen zoals Ultimate Spinach, Elmer Gantry’s Velvet Opera of The Chocolate Watchband. Ook de hoes van Music From Big Pink kon niet eenvoudiger of ambachtelijker zijn: een impressionistische, bijna primitieve tekening van The Band (inclusief olifant) gemaakt door huisvriend Bob Dylan. De hoes van opvolger The Band was dan weer een zwart-wit foto van de voltallige band, in de regen op een landweg. Mannen met baarden, snorren, een overjas, een hemd, een doodgewoon tafereel: het leek op een foto uit de 19e eeuw, deels ook door het bruine kader eromheen waarop simpelweg “The Band” in drukletters geschreven stond, zodat het album algauw de bijnaam The Brown Album kreeg. In een tijd van hoezen die eruitzagen als bonte kleurenlolly’s was dit een messcherp contrast.

Ook qua opnametechniek stelde The Band zichzelf als tegendraads voor: Music From Big Pink werd — gedeeltelijk — opgenomen in Big Pink, hetzelfde roze huis in Woodstock waar The Band eerder al met Dylan The Basement Tapes opgenomen had. Voor opvolger The Band trokken ze naar Hollywood, L.A., om daar in een huis van Sammy Davis Jr., dat gemakshalve een zwembad had, een hele kamer eigenhandig tot studio om te bouwen: huiselijkheid (niet van luxe gespeend) als rebellie tegen de tradities en dure studio’s van rock-’n-roll.

Al waren die ongewone opnamelocaties ook voor een deel fictie die vooral het knusse imago van The Band moesten cultiveren en promoten. In feite zijn zowel Music From Big Pink als The Band gedeeltelijk in professionele studio’s opgenomen, maar door dat onder de mat te schuiven, kreeg The Band wel een imago dat hen geen windeieren zou leggen. De muziek, de personages uit de teksten, die vijf gewone jongens op de persfoto’s gekleed als kwamen ze rechtstreeks van het Amerikaanse platteland: het leek allemaal van een andere tijd te komen.

De mysterieuze reputatie van The Band nam nog toe toen er na de release van Music From Big Pink geen tournee volgde omdat Rick Danko in een auto-ongeluk betrokken was. Bovendien weigerde The Band pertinent alle interviews. De groep die op dat moment het meest rock-’n-roll was, was ook net de groep die zichzelf ook het verst van de scène, van al de glitter en schijnvertoningen verwijderde. The Band was een enigma en zo wilden ze het ook.

“We carried you in your arms / On Independence Day / And now you’d throw us all aside / And put us on our way”

Ook op muzikaal vlak ging The Band lijnrecht tegen de tijdsgeest in. Het was toentertijd bijna revolutionair om een plaat met een ballad te openen en toch was dat exact wat The Band op Music From Big Pink met het door Bob Dylan (tekst) en Richard Manuel (melodie) samen gepende “Tears Of Rage”. Het nummer zelf is een uitstekend voorbeeld van hoe efficiënt de vijf leden van The Band samenwerken. Met de getormenteerde leadzang van Richard Manuel voorop, de ijle stem van Rick Danko op de achtergrond, het circusachtige orgel van Garth Hudson, de aarzelende drums van Levon Helm die plotsklaps invielen en zich struikelend een weg langs de sublieme bluesriffs van Robbie Robertson baanden: je kon elke stem en elk instrument perfect van elkaar onderscheiden en toch klonk het geheel harmonieus.

Die muzikale, creatieve aanpak van “Tears Of Rage” was het directe gevolg van opnemen in zelfgebouwde studio’s: ze konden er de hele dag muziek spelen zonder dat iemand nerveus moest worden over de kosten. Er was tijd om vrijuit te experimenteren, op zoek te gaan naar het juiste instrument en de juiste klank van elk instrument, om na te denken over harmonieën en wie wat waar zingt.

De tekst zou wel geïnterpreteerd kunnen worden als een aanklacht tegen de VS en wat er van de Amerikaanse moraliteit overgebleven is. De Vietnam oorlog en de gewelddadige onderdrukkingen van de tegenbeweging hadden duidelijk ook op Dylan indruk gemaakt, met de niets verhullende openingszin “We carried you in your arms / On Independence Day / And now you’d throw us all aside / And put us on our way”.

“Tears Of Rage” was niet alleen een indirecte aanklacht tegen de VS en de moeilijke socio-politieke situatie, het beschreef ook een getroebleerde vader-dochter relatie en benadrukte in het refrein familie en het belang van gemeenschap: “Come to me now, you know / We’re so low / And life is brief”. Tekstueel paste het nummer perfect binnen de esthetiek van The Band: Amerika en het belang van familie en gemeenschap in moeilijke tijden. Dat blijkt overigens ook uit een kleurenfoto voor het binnenwerk van Music From Big Pink, getiteld “Next of Kin”: een familieportret van The Band en hun familie, tot vier generaties ver.

Het meest opmerkelijke nummer op Music From Big Pink is “Long Black Veil”, oorspronkelijk door country-artiest Lefty Frizell opgenomen in 1959 en door The Band opnieuw heruitgevonden. De tekst was een verhaal over overspel in een klein Amerikaans dorpje met een publieke executie tot gevolg. In de strofes hoor je de ietwat nasale tenor van Danko terwijl Helm en Manuel samen invallen voor het etherische refrein, met een prachtig, bijna hemels aandoend orgelstuk van Hudson. Dit was dan wel oorspronkelijk een countrysong, maar nu had het plots wel heel veel ziel en door de drums en bas een ingehouden funk gekregen. Het is een vooruitblik naar het decor van de opvolger met de iconische bruine hoes, The Band: kleine dorpen en steden in Amerika, tradities, waarden, maar bovenal, authentieke muziek die zijn roots heeft in de traditionele Amerikaanse muziek en niet bang is om te vernieuwen.

“Scarecrow and a yellow moon / Pretty soon a carnival on the edge of town / King Harvest has surely come”

Was Music From Big Pink nog een verzameling sterke nummers zonder veel thematische coherentie, dan was The Band bijna een conceptalbum over een “old, weird America”, een beeld dat een geheel nieuwe generatie aansprak. Dat leek al aangekondigd door het impressionistische openingsnummer “Across The Great Divide”, een verhaal over ene Molly die met het pistool in de hand haar man opwacht. Met zijn beelden van kinderen bij de oever van de rivier, flipperkasten en pistolen is het van bij het begin van de plaat duidelijk: we zijn in Amerika. Toch was het concept niet vooraf uitgedacht: “We wisten niet dat er een concept was totdat we de plaat begonnen te maken,” aldus Robertson.

Een van de opmerkelijkste songs in deze context was “The Night They Drove Old Dixie Down”, een nummer over de laatste dagen van de Amerikaanse burgeroorlog. Controversieel genoeg was het wel geschreven vanuit het perspectief van de blanke zuiderlingen uit de verslagen Confederale staten die in de winter van ’65 honger en koude leden. Het werd een van hun meest iconische nummers en is nadien ook gecoverd door onder andere Joan Baez en Johnny Cash. Met nummers als “The Weight” en “The Night They Drove Old Dixie Down” heeft The Band zichzelf letterlijk in het Amerikaanse canon geschreven.

Ook het feit dat alles zo goed als live in de studio werd opgenomen was opmerkelijk voor een rockgroep eind jaren zestig: dat had meer van doen met hoe Stax-artiesten en andere soul of rhythm-and-blues groepen te werk gingen. Dat is ook geen wonder: The Band deelde muzikaal ontzettend veel overeenkomsten met de zwarte Amerikaanse muziektraditie. De gitaarlicks van Robertson deden vaak aan Curtis Mayfield of oude bluesopnames denken (zoals op “Across The Great Divide”). Helm speelde op bijvoorbeeld “Up On Cripple Creek” dan weer zodanig funky dat je het ook op een plaat van Booker T. & the M.G.’s had kunnen horen.

Een nummer als “Rockin’ Chair” was dan weer een uitstekend voorbeeld van blanke frontporch muziek: geen drums, alleen maar een akoestische gitaar, een mandoline en een harmonium. En dan was er nog die zo typerende samenhang, die nu eens aan bluegrass, dan weer aan de harmonieuze, delicate samenzang van The Staple Singers deed denken. Zo stond The Band met beide benen in zowel de blanke als de zwarte rootsmuziek en de uitwassen daarvan.

Songteksten waren bovendien vaak geschreven vanuit het perspectief van zij die het moeilijk hadden, outcasts, underdogs: van een bediende die het hart van zijn eigenares breekt in “The Unfaithful Servant” tot een boer die het na de zoveelste droogte niet meer ziet zitten in “King Harvest Has Surely Come”. Zelfs het perspectief van een ordinaire dief werd glorieus en triomfantelijk bezongen op “Jawbone”. Geen wonder dat The Band zo succesvol was in een tijd waarin veel Amerikanen het geloof in hun land begonnen te verliezen.

De roem zou nadien zijn tol eisen en The Band zou in de studio nooit meer dezelfde hoge toppen scheren. De legende was echter gemaakt. The Band had Amerika een nieuw gezicht gegeven, een van traditionele waarden, maar zonder het conservatisme. Hun invloed reikt dan ook ver. Nog tot diep in de jaren negentig zouden bands als Fairport Convention, Counting Crows, The Hold Steady of zelfs Mercury Rev echo’s van Music From Big Pink en The Brown Album laten horen. Op hun twee eerste platen heeft The Band niet alleen hun geluid uitgekristalliseerd; hun huiselijke, mysterieuze imago en nummers over een old, weird America, maakten van The Band een nieuwe Amerikaanse mythe.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien + 3 =