Jessica Lea Mayfield :: Make My Head Sing

Haar derde langspeler voert Jessica Lea Mayfield nog verder weg van de alt country die haar destijds in samenwerking met Dan Auerbach opgemerkt liet worden. Helaas kan ze in deze nieuwe incarnatie een pak minder overdonderen dan met haar kleine, fijne melodieën van weleer.

Het uitgebeende geluid van With Blasphemy So Heartfelt kreeg al een flinke popinjectie op de opvolger Tell Me, wat haar een breder geluidspalet, maar ook een minder coherent en vooral minder aangrijpend geluid gaf. Voor nummer drie neemt ze resoluut afstand van haar cowboylaarzen, maar tracht ze zich in een paar versleten All Stars te murwen die haar niet altijd even beeldig staan.

Het begint nochtans veelbelovend met “Oblivious”, een trip down grunge memory lane met een roestige gitaarmassa waarover de lichtjes dissonante zang in een waas hangt; een heerlijke verwijzing naar de hoogdagen van de nineties rock. Dergelijke nostalgie lijkt de toon van de plaat te dicteren. De single “I Wanna Love You” etaleert het meer gitaargedreven geluid van het debuut van Garbage, maar beschikt over een te weinig memorabel refrein om in die frequentie afgedramd te worden; om een mantra te baren is immers iets meer spitsvondigheid nodig. De valiumpop van “Standing In The Sun” is in hetzelfde bedje ziek: een aardige melodie die karakterloos voortkabbelt zonder enige weerhaken.

Mayfield moet al te vaak de duimen leggen voor de artiesten waaraan ze refereert. Het gedesinteresseerde stemmetje op de roestige gitaarriff van “Pure Stuff” werd een stuk beter ten tonele gebracht door Jessica Fodera (Jack Off Fill, Scarling), die er een zieke sensualiteit inlegde. Met “Do I Have To Time” probeert ze een snedige Blondie 2.0 neer te zetten, maar doet ze eerder denken aan eendagsvliegen als Republica dan aan de blonde diva. In een uitgebeende gitaarsong kon Mayfield een grain in haar stem leggen die de song dooraderde; in een poppunk-arrangement raakt ze helemaal vervlakt en wordt ze tot een anonieme inkleuring van de (vaak weinig geïnspireerde) melodie gedegradeerd.

Net wanneer je er de stekker uit wil rukken, trekt Make My Head Sing zich in de tweede helft enigszins recht. Eindelijk krijgen we gitaarpartijen met ballen (“Anything You Want”), eindelijk krijgen we dat venijnige staaltje Lolita-punk waar de riot grrrl-generatie destijds garant voor stond (“No Fun”). Met een track als “Unknown Big Secret”, het post-punkantwoord op Warpaint, zie je haar zelfs indruk maken op een broeierige festivaldag.

Toch weet Mayfield nog het meest indruk te maken wanneer ze op “Party Drugs” met een nieuwe twist terug naar het geluid van haar debuutplaat grijpt. Als ze deze leert aan te vullen met andere invloeden in plaats van er angstvallig van weg te vluchten, kan ze ongetwijfeld opnieuw een indrukwekkend album produceren. Nu breit ze echter gewoon een grotendeels redundant hoofdstuk aan een schizofreen oeuvre.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 2 =