POW! :: Hi-Tech Boom

John Dwyer, voorman van garagerockkwartet Thee Oh Sees moet zowat de drukst bezette man van het wereldje zijn. Bovenop de productiviteit slaagt hij er ook nog eens in met een paar vrienden een eigen label te onderhouden. Onlangs bracht hij zo nog het langspeeldebuut uit van stadsgenoten POW!, een trio dat de traditie van psychedelische garagepop een injectie gaf met hun ruisende, oubollige en soms onweerstaanbare synths.

Een belangrijke vaststelling is dat er haast in geen enkel genre zoveel van de magie verloren gaat bij de transfer naar een album als bij de garagerock. Net als de vrije improvisatie lijkt het muziek bij uitstek om aan den lijve te ondervinden. Bij de improvisatie, omdat het publiek zo’n sterk deel uitmaakt van de uitvinding van het moment (en natuurlijk om de oorsprong van die geluiden een herkomst te kunnen geven), bij de garagerock omdat de chaos, de rauwe expressie recht naar de essentie van de rock-‘n-roll gaat. Er waren en zijn wel wat bands die het ook op plaat klaarspeelden – The Dirtbombs, Oblivians, Reatards, etc – maar bands live die magie evenaren, laat staan overtreffen? Nee, dat zit er nooit in. Niet écht.

Thee Oh Sees, samen met Ty Segall zowat de meest invloedrijke naam uit de garagerock van de laatste vijf jaar, heeft intussen een knoert van een reputatie opgebouwd, in grote mate te danken aan het instinct van Dwyer. Het leed dan ook geen twijfel dat er bij het trio POW! – zanger/gitarist Byron Blum, toetsenist Aaron Diko en drumster Melissa Blue – iets te beleven zou vallen. In dit geval: snedige garagerock met een puntige punkpoptoets, met hier en daar wat uitstapjes richting wave en psychedelica.

De lawaaierige intro “Glitch” doet even anders vermoeden, maar in essentie is Hi-Tech Boom een gruizige popplaat. Weliswaar eentje die gebukt gaat onder lagen stemvervorming, borrelende, zoemende synths en het rudimentaire drumwerk van Blue, die het lijkt te doen met een snare drum en floor tom. De songs klinken stuk voor stuk jachtig, goedkoop, primitief en uitgebeend tot op het bot. De songs desintegreren, eerder dan dat ze op een correcte manier afgerond worden.

De gitaar kerft en rammelt er een eindje op los, de drum blijft metronoomgewijs bij een ritme, waardoor het vaak Diko’s foute synth is die de songs hun eigen wending geeft. In het melodieuze “Hope Dealers” wordt openlijk geflirt met Devo, terwijl het bij “Vertical Slum” The Buzzcocks zijn. Er zit vermoedelijk zelfs meer dan één rechtstreekse knipoog in. En dat duurt dan negentig seconden, terwijl de meeste bands dan niet eens klaar zijn met een intro. Hier en daar wordt de luisteraar wel even op het verkeerde been gezet — met de drumintro van “Sugi Walks” of het bluesy rollende “@ The Station” –, maar voor de rest wordt er niet moeilijk gedaan.

Vernieuwende of zelfs verrassende muziek levert dat nergens op, maar het klinkt wel steeds amusant en pretentieloos, op een nonchalant gestileerde manier. Bij hoogtepunt “66” beeld je je zo een feestje in dat bevolkt wordt met platinablonde Twiggy-lookalikes die de heupen losschudden in nauwsluitende, zwart-witte kleedjes tussen posters van Blow-Up, The Pretty Things, Alfie en Marc Bolan. 10% kitsch, 40% seks, 50% cool. Een uur later is er niets meer blijven hangen van die 26 minuten, maar wie maalt daarom? Het klonk even lekker en alles zag er goed uit.

En binnenkort speelt POW! maar liefst drie keer in ’t land: op donderdag 22/5 in Het Bos (Antwerpen), vrijdag 23/5 in Le Water Moulin (Doornik) en op zaterdag 24/5 in Madame Moustache (Brussel). Dat wordt vechten om de aandacht van juffrouw Blue.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 1 =