Twintig jaar Nu metal :: Deel 1: Duivels in een wijwatervat

“You laugh at me because I’m different, I laugh at you because you’re all the same.” (J. Davis)

Metal en mainstream: het zullen nooit de beste vrienden worden. Wereldwijde populariteit kan steevast rekenen op collectieve verguizing van de fans van het eerste uur, maar na enige jaren in het vagevuur volgt er meestal een terechte erkenning. Niet zo bij nu metal: tot op heden blijft het genre verbannen naar de beerput van de zware muziek. Deels terecht, maar twee decennia geleden deden bands als Korn en Deftones de metalwereld even op zijn grondvesten daveren. En niet zonder reden.

Begin jaren 90 was de metalwereld op drift geslagen. De wervelwind genaamd grunge raasde door de radio, en liet in haar kielzog de eens zo populaire spandexmetal uit Los Angeles (Guns N’ Roses, Poison, Mötley Crüe), en de beuken-zonder-denkenmetal uit de Bay Area van San Francisco (Metallica, Megadeth, Anthrax) achter zich in een waas van whisky, cocaïne en haarlak. Het gat in de ozonlaag boven de Amerikaanse westkust hield nog even stand met het Use Your Illusion-tweeluik van Guns N’ Roses, maar tegen het einde van 1993 was het over en uit. Meer zelfs: in het kielzog van deze megalomane acts was er reeds enkele jaren nieuw jong talent opgedoken dat zin en talent had om met zowat alle muziek die ze te pakken konden krijgen een fris, nieuw geluid te creëren.

Mix-‘n-matchen geblazen

De eerste van deze bands die kwam bovendrijven was Jane’s Addiction, die al eind jaren tachtig de uitstraling van de tanende glam/goth-scene vermengde met punk, funk, jazz, latin, fusion en zo een nieuwe, frisse wind door de zware gitarenindustrie liet waaien. Gelijkaardige bands als Red Hot Chili Peppers, hun zwaardere, meer jazzgerichte broertjes Primus en hun schizofrene neefjes Faith No More (en misschien nog meer: het compleet gesjeesde zijproject van frontman Mike Patton: Mr. Bungle) bewezen dat deze ietwat vreemde hybride muzikaal hout sneed. Stilaan won deze crossover-aanpak meer en meer zieltjes en stak deze mix-and-match-metal steeds vaker de kop op. Fear Factory, Ministry, Prong en Nine Inch Nails vermengden punk en metal met spartaanse industrial. Body Count en Rage Against The Machine lieten dan weer hun liefde voor hiphop door de gitaarmuren schijnen. Crossover was een tijd waanzinnig populair en beïnvloedde een hele generatie jongeren die zich niet aangesproken voelden door de make-upmetal van hun oudere broers of de houthakkersgrunge van hun schoolmakkers.

In de tweederangsgrootstad Sacramento vindt zo’n groepje tieners elkaar op de skateramp na de schooluren. Hun voorliefde voor allerhande uiteenlopende muziek leidt hen na enige tijd ook naar een repetitiehok. Chino Moreno, Stephen Carpenter, Abe Cunningham en Chi Cheng noemen zichzelf gekscherend Deftones, een combinatie van een hiphopterm en een oubollig fifties-suffix, en distilleren uit de mix van al die op het eerste gezicht onverenigbare invloeden (van Anthrax en Faith No More over Weezer en zelfs The Cure en Depeche Mode) langzaam maar zeker een eigen geluid. Hun poëtische, maar agressieve geluid is geïnspireerd op primitieve Helmet en Sabbath-riffs, gortdroog drumwerk en een gelaten sfeer die de uitzichtloze verveling, het nihilisme en alle gewelddadige uitwassen die ermee gepaard gaan perfect uitbeeldt. Na enige tijd versiert Deftones enkele shows in L.A. en San Francisco, waar de band in 1994 bijna per ongeluk wordt ontdekt door een impresario van Madonna’s Maverick-platenlabel, dat hen de mogelijkheid geeft om een album op te nemen met Terry Date (die in het verleden het productiewerk voor onder meer Soundgarden en Pantera voor zich nam). De band is door het dolle heen, maar denkt dat hun five minutes of fame zich tot die ene uitbarsting zullen beperken.

Enkele jaren daarvoor zat de funkmetalband LAPD, oorspronkelijk uit het half ingeslapen Californische provinciestadje Bakersfield, met een groot probleem. De groep had net zijn eerste plaat uit, maar zat plots zonder zanger en gitarist. De overgebleven leden James ‘Munky’ Shaffer, Reginald ‘Fieldy’ Arvizu en David ‘David’ Silveria rakelden hun roadie/bierleverancier Brian ‘Head’ Welch op en gingen op zoek naar een nieuwe zanger. Die vonden ze in Jonathan Davis van de alt-metalband Sexart, wanneer die in een plaatselijke bar in Bakersfield optrad. Het vijftal noemde zichzelf Korn (“gewoon omdat het een domme naam was en deed denken aan de horrorfilm Children of the Corn”), pikte een nummer van Sexart (Blind), en begon daarop een eigen sound te bouwen, ritmisch sterk beïnvloed door de funkmetal van Primus, maar gedragen door loodzware, logge, groovende Panterariffs en gelardeerd met het gitaargefröbel van Rage Against The Machine. In een poging om hun gitaargeluid nog zwaarder te doen klinken, schaften Head en Munky zich een paar zevensnarige gitaren aan. “Iedereen verklaarde ons voor gek, want op een sevenstring kon je zogezegd geen riffs spelen”, verklaart Head later geamuseerd. Dat unieke geluid, samen met de opmerkelijke podiumprésence van Davis maakt dat Korn al na een jaar zijn handtekening kan zetten onder een platencontract en de studio induikt met de aanstormend producer Ross Robinson.

Flea op een wasdraad

Halverwege 1994 trekt Korn voor twee maanden naar de legendarische Indigo Ranch studio’s in Malibu. Ze hebben een handvol nummers en wat losse riffs onder de arm en gaan aan het werk. In plaats van elk instrument apart op te nemen, stelt Robinson voor om alles tegelijk op band te zetten. Er wordt uren aan een stuk gejamd en de band slaagt erin om twaalf nummers af te maken. In plaats van allerlei chique productietechnieken op de instrumenten los te laten, laat Robinson Head, Munky en Fieldy naar hartenlust rondklooien met effecten en speeltechnieken. Het zorgt ervoor dat de plaat in al zijn eclecticisme een eigen, uniek geluid voortbrengt. De gitaren klinken dik en groovy, maar springen van de ene dissonante tak op de andere, de bas klinkt als Flea die op wasdraad speelt en de drums kunnen zo uit een James Brown-album gesampled zijn. Je hoort een enthousiaste, wat ruwe, maar vooral heel jonge band, met veel zin voor avontuur en experimenteerlust. Dat levert niet altijd geweldige resultaten op: “Predictable” en “Fake” raken kant nog wal, maar uitschieters als “Ball Tongue”, “Shoots And Ladders” en “Helmet In The Bush” leggen de fundamenten voor het typische Korngeluid dat een heel muzikaal genre zal definiëren.

Maar meest opvallend zijn wel de vocalen van Davis, die een nogal eendimensionale, maar zeer directe afspiegeling zijn van zijn worsteling met zijn innerlijke demonen. In niet mis te verstane bewoordingen maakt hij komaf met pesterijen (“Faget”), stukgelopen relaties (“Need To”) en depressies (“Blind”). Maar afsluiter “Daddy” is met een straatlengte voorsprong het meest geschifte nummer op de hele plaat. Als een bezetene schreeuwt Davis zijn opgekropte woede uit over het seksueel misbruik in zijn jeugd en zet hij het op een hartstochtelijk janken. De rest van de band, die tot dan toe niet doorhad dat het nummer over Davis zelf ging, is compleet uit het lood geslagen, maar speelt aarzelend verder. Het zorgt voor één van de meest onwennige muzikale momenten van de jaren 90. Ondanks de ruwheid van de naamloze plaat en de vreemde momenten, slaat het album bij het uitkomen eind 94 meteen aan, en kan Korn op tournee met bands als Biohazard, Bad Religion, Primus, House of Pain, Megadeth en zelfs een keertje met No Doubt. Het is duidelijk dat men niet goed weet wat aan te vangen met deze vijf weirdos.

Deftones trekt halverwege 95 met Terry Date naar Seattle. Ook bij de opnames van Adrenaline wordt de productie bewust low profile gehouden door de hele plaat nagenoeg live vast te leggen. Chino Moreno zingt door een doodgewone microfoon die hij in zijn handen houdt, waardoor het soms lijkt alsof de vocalen uit een walkietalkie komen. Het geheel van Adrenaline laat zich beluisteren als een soort mystieke, grauwe trip in de onderbuik van de jeugdcultuur die vol zit van verveling, vervreemding, dopetrips, geweld en gefrustreerde relaties. Moreno’s teksten zijn veel minder direct dan die van Davis, maar de sfeerschepping van de plaat laat weinig aan de verbeelding over. “Bored” alleen al capteert perfect het uitzichtloze sentiment uit de titel, maar de ontluisterende gelatenheid in nummers als “Root” (“I and me we go with Jesus in a bowl of dirt”) of de antiracistische razernij uit “7 Words” (“And to the jury carry your turns on my skin this color. Does that mean I’m burnt?”) komt minstens even hard binnen. Hier is een generatie aan het woord die het laissez-faire-nihilisme van de grunge afstoot en zich (tevergeefs) weert als een duivel in een wijwatervat.

Een genre is geboren

Bijna meteen na het verschijnen van Adrenaline steekt er een ware hausse op rond Deftones, en net als Korn toert de band met allerhande uiteenlopende groepen zoals Bad Brains, Ozzy Osbourne en Pantera. Begin 1996 spelen Deftones en Korn enkele gezamenlijke shows in Californië. Beide bands hebben er ondertussen al heel wat kilometers en speelervaring bij en de optredens slaan in als een bom. In de loop van 96 en 97 zullen Korn en Deftones elk hun tweede plaat inblikken die voor hen beiden de bevestiging levert die hen definitief op de kaart zet. De doorbraak is nu onafwendbaar geworden. Een nieuw genre was geboren, maar zou pas enkele jaren later zijn aartslelijke naam en dito imago krijgen. Het creatieve hoogtepunt wenkt, maar de gapende afgrond zal sneller komen dan verwacht.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + 19 =