Stephen Malkmus & The Jicks :: Wig Out At Jagbags

Het is een verdienste om over naar huis te schrijven: in de twintig jaar dat we de carrière van Stephen Malkmus volgen, heeft hij ons nog nooit teleurgesteld. Ook Wig Out At Jagbags valt verre van tegen. Meer zelfs: we horen een band die op zijn hoogste niveau speelt.

De plaat schiet uit de startblokken met een loeiende gitaarsolo in de intro van “Planetary Motion”, een lied dat verder gestut is op een drumpartij en een refrein die uren na het beluisteren nog altijd gezellig een feestje aan het bouwen zijn onder je hersenpan. In het met de deur in huis vallende “The Janitor Revealed” steken vooral een geinige doch intelligente tekst en een net niet te nonchalant gespeelde gitaarsolo er bovenuit. Het strakke samenspel van The Jicks valt op in “Lariat”: drum, gitaar en zang zijn zo goed op elkaar afgestemd dat je het gerust gestroomlijnd mag noemen. Je kan aan de hand van dit nummer — en bij uitbreiding de hele plaat — eveneens stellen dat Malkmus en zijn Jicks zich met zijn allen meer dan ooit te pletter amuseren. Zo hard druipt het plezier van de plaat.

“Houston Hades” knalt – met stipvermelding voor drummer Jake Morris – eerst alle kanten op, om na een flinke halve minuut pas echt te starten. Ditmaal als een vintage Malkmus-song: een wat achterover hangende groove, ogenschijnlijke nonchalance bij de gitarensectie, zoete backing vocals en half gezongen, half geneuzelde lyrics. Tijdens de intro van “Shibboleth” dachten we even dat we met nieuw werk van de Pixies te maken hadden. Het is een erg duister nummer voor Malkmus. De gruizige basklank, de vervreemdende synthesizerklanken en vooral de freaky outro brachten ons even op het verkeerde been.

Met “J Smoov” klaart de zon echter weer op. Een naïef klinkende, erg eenvoudige intro wordt na enige maten al snel ingekleurd met orgelklanken, een spacy synthesizer en een blazerssectie. In de outro, die opnieuw een regenachtige herfstsfeer opwekt, beroert Malkmus de hogere regionen van zijn Fender Jazzmaster als waande hij zich The Edge. Dit betekent: met veel reverb en delay.

Opmerkelijk is hoe Malkmus lijkt te putten uit zowat de gehele popgeschiedenis. In de opgewekt klinkende punkpopsong “Rumble At The Rainbow” wagen Malkmus en co zich ergens achteraan de song zelfs heel even aan een streepje reggae. “Chartjunk” — met alweer die blazers! — klinkt wat als de late The Who, die van “You Better You Bet”. Alweer blijkt hoe strak The Jicks tegenwoordig samenspelen. En in “Independence Street” lijkt wel de geest van de intussen bejaarde Neil Young en zijn Crazy Horse rond te waren.

In het nonsensicale “Scattegories” – een fijn niemendalletje van een minuut vijftig – laat Malkmus zich even helemaal gaan en toont en passant hoe er onmiskenbaar ook een virtuoos gitarist in hem verscholen zit. Vooruitgeschoven single “Cinnamon And Lesbians” kenden we al. Het blijft een prettig weerhoren.

En dat kunnen we dus net zo goed over Stephen Malkmus zelf stellen. De man is meer Europees dan je van een Amerikaanse rocker zou verwachten. Je zou hem eerder voor een Engelsman nemen. Wandelende flegmatiek met een gitaar omgegord, zo kan je hem ook omschrijven. Met de gelukzaligheid van iemand die weet dat hij niets meer hoeft te bewijzen gaat hij gezapig, maar tegelijk weerbarstig zijn eigen weg. Commercieel succes interesseert hem slechts matig of zelfs helemaal niet. Bovendien toont hij met Wig Out At Jagbags nogmaals aan dat hij nog niets van zijn geestigheid en muzikaal talent is verloren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 1 =