Antiduo + Chambertones :: 29 januari 2014, De Bijloke

Het polyvalente Kraakhuis van De Bijloke — dat het decor zou gaan worden voor nog meer kleine(re) jazz- en improvisatieconcerten — kreeg deze avond bijzonder volk over de vloer dat illustreerde dat de werelden van jazz en geïmproviseerde muziek een speelveld beslaan dat een enorme diversiteit herbergt.

Een goed uur kijken en luisteren naar Antiduo — pianisten Seppe Gebruers en Erik Vermeulen terwijl ze zich overgeven aan het instant componeren — dat is heftig. Misschien wel te heftig, want terwijl je bij het recent verschenen album zelf bepaalt hoeveel je in één beweging verteert en hoe vaak je naar de stukken terugkeert, heb je bij een concert geen andere keuze dan volgen. Dat heeft natuurlijk ook z’n voordelen: enerzijds voelt het behoorlijk verwarrend en spannend aan om willens nillens meegesleept te worden in dat onophoudelijke experimenteren in een labo van mogelijkheden, en anderzijds omdat het de dynamiek tussen de muzikanten een pak duidelijker in de verf zet.

Wie de twee al een tijdje volgt, zal er misschien minder moeite mee hebben, maar bij zo’n albumbeluistering heb je er natuurlijk maar het raden naar wie instaat voor wat: je krijgt het eindresultaat te horen en dat is wat het is. Zo’n concert geeft echter heel wat meer info vrij; zo doet de verhouding hier zich toch een beetje voor als leraar tegenover leerling. Niet in de zin dat de ene aan de andere toont hoe het allemaal werkt en dat die laatste vooral reproduceert, maar omdat de clichés over enerzijds de jongere weerbarstigheid en impulsiviteit en anderzijds de oudere wijsheid met een meer sobere aanpak voor een keer wel bevestigd werden.

Gebruers trekt smoelen, kreunt, wipt heen en weer op dat stoeltje, schudt heftig met het hoofd en dat alles weerspiegelt zich ook in zijn spel, dat een ongedurig instinct verraadt en meer uitblinkt in grote contrasten en gemoedswisselingen. Het wilde, ongetemperde avontuur. Zeker toen hij aan de kleinere piano zat. Daarnaast komt Vermeulens spel aan zoals z’n lichaamshouding: gecontroleerd, introverter, wat meer bedachtzamer. Al betekent dat nu ook niet dat je ‘rock-‘n-roll versus kamercharme’ gepresenteerd kreeg, want de muzikanten laven zich met een opmerkelijke gretigheid aan elkaars ideeën.

Die spelen zich dan niet zozeer af op het terrein van herkenbare melodieën en behaaglijke harmonieën, maar op dat van de dynamiek van atonaal gewrik en ontluikende, soms goed vermomde lyriek. Van vijandigheid naar het publiek of elkaar is geen sprake, maar ze maken het elkaar ook niet altijd even gemakkelijk. Er mag al eens een prikje uitgedeeld worden, net zoals het soms even mag duren voor er van weerwoord gediend wordt. Of er een enkele keer een uitschuiver gemaakt kan worden. Het is muziek die moeilijk blijft om te benoemen en grip op te krijgen, omdat het aanleunt bij de meest bandeloze vleugel van de moderne klassiek en die van de vrije improvisatie.

Dat zorgt ervoor dat zo’n samenwerking het ene moment iets heeft van een romantische versnippering vol denderend drama en dan weer van een schermutseling van temperamenten, waarbij er voortdurend wordt geprobeerd om het meer beheerste spel van Vermeulen een relatie te laten uitbouwen met de ongeduriger variant van zijn jonge partner. Een eensluidende boodschap is niet de bedoeling, een coherent verhaal zonder oneffenheden evenmin. Het is net de spanning tussen die stijlen, met soms het duidelijke heen-en-weerverkeer, die zorgt voor de kracht van de performance. Die is visueel misschien nog het duidelijkst van al vast te stellen in de dans die de handen uitvoeren: die van Vermeulen steeds in elkaars nabijheid, gezamenlijk verschuivend met hier en daar een beheerst haasje-over, die van Gebruers in een minder eensgezinde verhouding, met bokkensprongen, soms van elkaar wegspurtend of resoluut kiezend voor de springschans naar het plafond.

Dat alles maakt van het concert een schouwspel en een beproeving die misschien net iets te lang aanhouden om de concentratie bij de minder getrainde luisteraar op peil te houden, maar die niettemin barst van de onverdunde ideeëndrift. “We have to continually be jumping off cliffs and developing our wings on the way down,” schreef de Amerikaanse auteur Kurt Vonnegut ooit. Daarvan is het concert van Antiduo alleszins een knappe illustratie.

Het zou nogal een understatement zijn om te zeggen dat het volgende trio een licht verschillende methode hanteert. Het Nederlandse Chambertones met gitarist Jesse Van Ruller, rietblazer Joris Roelofs — die enkel z’n basklarinet bij heeft — en bassist Clemens van der Feen zoekt het, zoals de naam aangeeft, in de regionen van de kamermuziek. Er is daarbij wel ruimte voor improvisatie, maar die staat niet als doel op zich. De drie muzikanten hebben samen al bakken ervaring — ze behoren op hun instrument tot de Nederlandse en misschien wel de internationale top — en blinken vooral uit in de eensgezindheid die bij Antiduo soms ver te zoeken was.

In “The Ninth Planet” krijg je meteen een mooie dwarsdoorsnede van die aanpak gepresenteerd, met passages in zachte kleuren, mooie melodieën, strak uitgevoerde unisonopassages en een aanhoudende lichtheid in de toon en stijl. Het lijkt alsof er voortdurend een briesje waait in de muziek van Chambertones. Al kan dat ook te maken hebben met de aanwezigheid van van der Feen die, zelfs als hij lekker meeplukt in een ouderwets wiegend stukje, blijft zorgen voor een frisse, lenteachtige insteek, wat de muziek soms een pastoraal folktintje geeft. Dat wil niet zeggen dat z’n spel flets of ongeïnspireerd is; van der Feen is veelzijdig en weet duidelijk wat deze composities nodig hebben.

Er valt ook niks af te dingen op het spel van Van Ruller en Roelofs. Beiden zijn uitstekende muzikanten met een brede bagage die zich bij Roelofs zowel weerspiegelt in lyrisch gesoleeer met haast gecomponeerde samenhang als in de grauwere geluidseffecten in het lage register. Bij Van Ruller levert dat een aanzienlijk stijl- en kleurenpalet op dat hij kan aanspreken zonder ook maar een keer gebruik te maken van effecten en manipulaties. Door over te schakelen van een meer klassieke speelstijl naar fingerpicking kan hij het groepsgeluid soms knappe wendingen geven, waarbij het van eerder klassieke gitaarjazz verschuift naar meer exotische insteken. Het lijken soms wel knipoogjes naar figuren als Prasanna of de Malinese gitaristen, met soms kringelende, spinachtige figuren op een ondergrond van repetitieve basfiguren.

De muziek ademt een indrukwekkende beheersing uit, neigt soms een beetje naar de pop of de blues, suggereert aan het einde zelfs een keer dansritmes en vooral: het vloeit allemaal mooi in elkaar over. Misschien iets te mooi zelfs, waardoor de muziek hier en daar de air van een demonstratie krijgt en zelfs de lyrische improvisaties eerder prettig dan verrassend aanvoelen. Dat resulteert in muziek die esthetisch behaagt, maar je niet echt bij de lurven grijpt, net wat te weinig schuurt of wringt. Of hoe ‘iets te veel’ plots ‘iets te weinig’ wordt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien + negen =