The National :: 16 november 2013, Vorst Nationaal

2013 is het jaar van The National geweest. Niet alleen staat Trouble Will Find Me nog altijd in pole position voor de eerste stek in ons eindejaarslijstje, in Vorst Nationaal gaf de groep zaterdagavond het soort optreden waarvoor de woorden “om in te kaderen” ooit zijn uitgevonden.

Dat overdrijven we, natuurlijk: die uitspraak moet voor het eerst op een schilderij hebben geslagen, toch? Maar wat er ook van zij: Matt Berninger en band stonden op het grote podium van Vorst Nationaal op eenzame hoogte. De eerste dertig minuten alleen al waren foutloos: na een half jaar onafgebroken touren kent de groep de nieuwe nummers van buiten, en zonder veel commentaar volgden ze strak na elkaar. Eerst “Don’t Swallow The Cap”, dan “I Should Live In Salt” en een gedreven “Anyone’s Ghost”.

Ronduit verbazend hoe deze erg eenzelvige muziek zo’n groot publiek kan aanspreken. Matt Berninger is het soort frontman dat in zijn bitterzoete mijmeringen verdwijnt, en het publiek kan hem aan zijn reet roesten. In zichzelf gekeerd benadert hij zijn microfoon soms van opzij, de coulissen in turend, soms verdwijnt hij helemaal in de muziek. En toch wordt een nummer als “Bloodbuzz Ohio” woord voor woord meegebruld, als was het een verheffend hymne. Dat is dan ook de kracht van zijn teksten: ze weten de twijfels van de min-of-meer gesettlede dertiger in spitante, soms humorvolle woorden te vatten. Ze zijn herkenbaar voor iedereen die zich al eens heeft afgevraagd of dit alles is, en of het leven niet elders gebeurt terwijl jij vriendelijk van koppeltje-koppeltje speelt aan een rijkgevulde dis om achteraf opgelucht adem te halen “I survived the dinner”.

Niet dat alles om Berninger draait. Minstens de helft van de essentie van The National is het viertal in de rug van die zanger. Drummer Bryan Devendorf houdt de songs woelig en levendig met inventieve ritmes, maar ook gitaristen Aaron en Bryce Desner zijn van belang. De manier waarop die eerste “I Need My Girl” van stemmige stoorzenders voorziet, maakt het nummer méér dan zomaar een homp moeilijk weg te slikken tristesse; het wringt gepast.

Hetzelfde kan gezegd van de blazers die op de achtergrond voor inkleuring zorgen. In “Hard To Find” zorgt een trompet en sourdine voor extra droefnis, in “Squalor Victoria” gaan ze dwars liggen; lichtjes tegen atonaliteit aanschurkend en daardoor bijzonder effectief. Berninger raakt ondertussen op dreef, knalt na afloop van “Conversation 16” zijn microfoon tegen de grond — da’s er eentje voor de bingokaart met kapot materiaal die de crew bij houdt — en gaat langzamerhand loos. Je kent “Abel” en die voorspelbare uitbarsting na zoveel concerten, maar het blijft werken. Berninger slaagt er in om wat feitelijk routine is te blijven verkopen als spontaniteit. Dan kun je niet klagen.

Dat kan vooral niet, omdat de band tot nog toe geen steek heeft laten vallen. Dat is pas het geval in “Pink Rabbits” — nochtans in een verstilde versie die harten her en der een tel doet overslaan — dat even lichtjes wankelt. Een potig “Humiliation” — één en al onrustige bas en drum — en “England” zetten dat recht. “Fake Empire” — alweer zo’n onwaarschijnlijke publiekslieveling — is zijn finale plek daarna meteen waardig. Met de gitaren triomfantelijk in de lucht wuiven de Dessners-broers Vorst voor heel even vaarwel.

Bissen volgen immers al snel, met eerst en vooral het nieuwe “Lean” dat voor de volgende Hunger Games-film werd geschreven. Het is precies dat: het soort nummer dat een band voor een soundtrack wegschenkt omdat het weinig bijzonder is. Tijd dus dat “Mr. November” mag losbarsten. Het is één van die zeldzame nummers waarin Berninger van de leiband mag, en schuimbekkend loos gaat. Geen crowdsurfen vandaag, wel een duik in het publiek en dan naar het eerste balkon. Zelfs al is het voor een man die onberekenbaarheid wil uitstralen wel heel erg gecontroleerd, en verwacht — dit is een dagelijkse gewoonte — hij krijgt het verkocht als spannend.

“Terrible Love” is het laatste grote nummer; alweer een anthem dat je nooit zo had durven noemen voor je het luidkeels meegezongen voor je ogen die gestalte zag aannemen. Hetzelfde geldt voor het akoestisch gebrachte “Vanderlyle Crybaby Geeks” dat traditioneel de eindnoot is. We zagen het in Dublin ooit woest meegebruld door duizend enthousiaste Ieren, Belgen houden het helaas iets beschaafder bij beleefd mee mompelen. Jammer.

Maar God, wat een band: The National heeft het soort état de grâce bereikt waarin het met een flauw concert had kunnen wegraken, maar bekroonde zijn jaar liever met een performance die zijn eigen plaats in de jaaroverzichten waard is. “Vier jaar geleden speelden we hier voor het eerst in een grote zaal. Jullie waren zo lief toen”, bedankt Berninger halverwege. Het genoegen was zaterdagavond opnieuw geheel aan de kant van de Belgen. Dit optreden benaderde de perfectie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × drie =