The Baptist Generals :: Jackleg Devotional To The Heart

Tien jaar. Zo lang duurde het voor er een opvolger kwam voor het met haken en ogen hangende, maar niettemin onder de huid kruipende No Silver/No Gold, nog altijd een van onze favoriete indie/roots-albums van de noughties. De langverwachte derde is, in tegenstelling tot wat sommigen beweren, geen radicale breuk met het verleden geworden, maar draagt wel degelijk de sporen van eindeloos vijlen en bijsturen. De rauwe spontaniteit, misschien wel het meest in het oog springende kenmerk van Dog (2000) en No Silver/No Gold, ging daarmee verloren, maar The Baptist Generals verloor gelukkig niets van z’n unieke karakter.

De band uit Denton, Texas rond Chris Flemmons onderging intussen aardig wat personeelswissels, zodat deze band ook een hele andere is dan die van 2003. Die bezetting leek voortdurend in een afgrond van complete desintegratie te staren. Flemmons’ vloekpartij aan het einde van “Ay Distress” (te danken aan een gsm die nét op het verkeerde moment begon te rinkelen) is nog altijd een van de meest bijzondere momenten in onze collectie. Maar er was meer, zoals de keihard aangeslagen gitaren van “Burning” of de perverse dreiging van “Creeper” (“Hey little girl, I had a swell old time tonight”). Met The Baptist Generals – een zootje dat evenveel gemeen had met stadsgenoten Centro-matic als een marginale figuur als Johnny Dowd – kon het alle kanten opgaan.

Een paar jaar na No Silver/No Gold staken geruchten over een nieuwe plaat de kop op en deed wat nieuw materiaal de ronde (zoals het prachtige, onterecht verdwenen “Raw From Self-Destruction”), maar dat was steeds vals alarm. Flemmons was intussen bezig met andere dingen, zoals het organiseren ven een festival. Een afgewerkte plaat werd in 2006 weggekieperd. Toch was daar ineens de belofte van een nieuwe plaat, die een tijdje geleden verscheen. Vergezeld door een zestal muzikanten duikt Flemmons nog steeds in een unheimliche rootswereld, maar is er ook een pak meer ruimte voor uitgebreidere arrangementen en nieuwe geluiden (marimba, gedoseerde toetsen/elektronica, blazers, strijkers, waterfoon). The Baptist Generals met toeters en bellen, dus

Aanvankelijk waan je je ook in de veronderstelling dat de band een immense transformatie ondergaan heeft, want de stompende instrumentale opener “Machine En Prolepsis” is veel voller en rijker dan het groepsgeluid van ervoor. Vooruitgeschoven single “Dog That Bit You” doet er nog een schep bovenop, met een bruisende update van countryrock à la Crazy Horse. Flemmons’ stem klinkt wat gepolijster en de song beschikt over talloze details, gaande van vreemde stemeffecten tot blazers- en strijkersarrangementen, waarmee het voluit de kaart van de barokke pop trekt. Het is meteen ook de laatste keer dat het gezelschap zo gretig aan het rocken slaat, want de rest van het album schakelt doorgaans weer een versnelling lager.

Het verschrikkelijk getitelde “Clitorpus Christi” had, zeker als je dat wiegende ritme wegdenkt, zo op de oudere albums gepast, terwijl “Turnunders And Overpasses”, gestaag en repetitief drijvend als een ritueel, pas naar het einde wat licht toelaat. “Oblivion” is dan weer een groeier die een Tex-Mex-achtige melodie koppelt aan een rockende melancholie die in z’n finale zelfs vaag verwant is aan het latere popwerk van Hüsker Dü. Er valt nog altijd geen snars te begrijpen van Flemmons’ cryptische vertelsels, maar op z’n best creëert deze muziek een imaginair landschap dat bulkt van de raadselachtige details.

Na het halfgeslaagde overgangsstuk “3 Bromides” wordt opnieuw gepiekt met het tweeledige “Broken Glass”. Dat kan echter niet voorkomen dat het album dan een inzinking kent met het tweeluik “Snow On The FM” en “Floating”, die zelfs na talloze beluisteringen (we hebben het niet te snel opgegeven) te licht wegen om zich te kunnen onderscheiden. Het wat pompeuze slotstuk “Oblivion Ouverture”, haast een verre verwant van David Ackles’ theatrale American Gothic voelt in deze context wat misplaatst aan, maar kreeg wel een knappe aanloop via hoogtepunt “My O My”, een statige, met strijkers en koren volgepropte klaagzang die haaks op het rauwe primitivisme van het oude werk staat, en “Morning Of My Life”, een mooie versie van een oude Bee Gees-song (!).

De verhoopte triomf is Jackleg Devotional To The Heart niet geworden. Het is natuurlijk ook niet eerlijk om na die lange wachttijd een plaat te verwachten die even goed zou zijn als het equivalent van de drie of vier albums die een andere band in die tijdsspanne had kunnen maken, terwijl de verschuiving van Flemmons’ focus maar geldt voor een handvol van de songs, want voor de rest krijg je ze vooral gepresenteerd in iets verfijnder en uitgewerkte gedaante. Het goede nieuws is dan weer dat hij ze nog altijd in zich heeft. Het valt maar te hopen valt dat werkstuk #4 minder lang op zich laat wachten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 − acht =