Godfathers :: Jukebox Fury

Tijdens de voorbije editie van Roots & Roses maakten de Engelse peetvaders een slappe indruk die hen zonder pardon verwees naar het domein van de vergane gloriën. Het was dan ook bang afwachten wat Jukebox Fury, het eerste studioalbum in achttien jaar, zou opleveren. Samengevat: weinig goeds.

De band lijkt nochtans nog steeds verder te borduren op de elementen die een paar albums lang (op z’n minst tot het ondergewaardeerde Unreal World (1991), dat compleet over het hoofd gezien werd door de Britse hypes van die tijd) wél werkten, terwijl de line-up ook lonkt naar de klassieke troeven. Aan het roer staan nog steeds broers Peter (zang) en Christopher Coyne (bas), terwijl gitarist Del Bartle, die er al bij was voor de band zijn definitieve naam kreeg, ook opnieuw aan boord gehesen werd.

De aanpak ligt dus in het verlengde van hun kenmerkende stijl: stevige, no nonsense rock-‘n-roll die verder bouwt op de Engelse pubrocktraditie, met gruizige gitaren, punksneren, wavewalmen en hier en daar een toefje rootsrock. Denk Dr. Feelgood of Herman Brood & His Wild Romance. In combinatie met hun imago van muzikale Krays zou het kunnen leiden tot 100% cool, maar daarvoor sputtert de motor veel te vaak.

En waarom zou je in godsnaam openen met een drammerig stuk ellende als “Let Your Hair Hang Down”, een slappe song die niet eens representatief is voor je plaat? Geen enkele opvolger krijgt qua klank de beste bediening, want het valt eraan te horen dat de band de productie zelf voor z’n rekening nam: er valt geen lijn te trekken in de geluidsmix, die ervoor zorgt dat de band op cruciale momenten compleet de mist ingaat door gebrek aan energie (het punkachtige “I Can’t Sleep Tonight” is al even flets als de latere Ramonesopnames) of songs gewoonweg laat klinken als een veredelde demo (“The Man In The Middle”).

Bovendien valt op dat de band ondanks die ouwe lullenobservaties eigenlijk geen bal te vertellen heeft. “Primitive Man” is een lap stoere riffrock over prehistorische alfamannetjes die ook exact zo onderontwikkeld is en gebukt gaat onder wat de onnozelste tekst van het jaar moet zijn. “Back In The Future” vergaat het wat beter, het klinkt op z’n minst wat gemeen, maar wordt dan weer te lang gerekt, waardoor we weer de amechtig proberende nonkels van Roots & Roses voor ons zien.

Dan liever de wat oubollige retrosongs, die ze doorgaans kort houden en waaruit blijkt dat ze wel een oor hebben voor melodie en hooks. “If I Only Could” is eenvoudig en franjeloos, maar gaat tenminste nergens de mist is. Idem voor “The Outsider”, lullig én aanstekelijk tegelijk, een prima combinatie. Het zeemzoeterige “A Can Of Worms” had bijna van Nick Lowe kunnen komen (bijna!), terwijl “Mary Baby” psych- en powerpop à la Flamin’ Groovies aan elkaar koppelt. Alleen jammer dat ze er nog eens verplichte stukjes exotica als “Theme To The End Of The World” en “Thai Nights” achter moeten steken.

De grote frustratie is dat de band duidelijk nog weet wat z’n sterktes ooit waren, maar er amper in slaagt om die te verzilveren. Zwakke productie, licht infantiele teksten, een paar ronduit slechte songs en een gebrek aan échte uitschieters leiden uiteindelijk tot een plaat die op eender welk tijdstip in de voorbije drie decennia goed was voor een eenrichtingsticket naar het kroegentochtcircuit

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + 19 =