Oblivians :: Desperation

De gebroeders Oblivian hebben na vijftien jaar hun roestige Chevy nog eens uit de garage gerold om weer plaats te maken voor een drumstel, twee gitaren en vermoedelijk ook tamelijk veel bier. Feest!

Deze drie legendarische underachievers uit Memphis speelden vanaf het begin van de jaren 90 — in de schaduw van The Blues Explosion — vuile en smerige rock-‘n-roll die de heer Jon Spencer moeiteloos in z’n netjes gestreken hemd wist te zetten. Dat het geen virtuoze muzikanten waren, is een understatement dat enkel na een beluistering van Soul Food en Popular Favorites naar waarde kan worden geschat. Dat gebrek aan talent werd dan ook nog eens extra in de verf gezet door het feit dat ze alle drie drum, gitaar en zang afwisselden. Kortom, het rammelde langs alle kanten maar Oblivians speelde tenminste alsof hun leven ervan afhing.

En toen werd het allemaal een beetje te veel werk en te weinig plezier waardoor ze na hun derde langspeler, Play 9 Songs With Mr. Quintron, de stekker eruit trokken. Talloze nevenprojecten werden hoofdbezigheden, met The Reigning Sound van Greg “Oblivian” Cartwright als uitschieter. Eric “Oblivian” Friedl ging dan weer verder met Goner Records, om zo onderdak te bieden aan een nieuwe generatie garagerockers (Ty Segall, wijlen Jay Reatard, …). Maar als het kriebelt dan moet je rock-‘n-rollen en zo gebeurt het dat anno 2013 Desperation in de rekken ligt. De plaat pikt de draad weer op waar ze hem in ‘97 lieten liggen en waar hij bij nader inzien eigenlijk altijd al heeft gelegen.

Van enige muzikale evolutie is er dus geen sprake en dat is maar goed ook. “I’ll Be Gone” zet er meteen de beuk in en ook “Loving Cup” en “Em” zijn stevige lappen garagerock. Het zeurderige “Woke Up In A Police Car” overtuigt wat minder, maar niet getreurd want met “Call The Police” maken ze een meer dan verdienstelijke uitstap richting zydeco. Met de hulp van Mr. Quintron aan de toetsen, wordt het een feestelijke meezinger van jewelste. Verwacht echter geen accordeon, zo ver drijven ze het nu ook weer niet. Maar dan: door al dat feesten moet de metronoom ergens onder een zetel beland zijn en — het voor de rest geweldige “Pinball King” moet dan maar zonder. Bij “Run For Cover” doet een casio-drumbeat vervolgens dienst als houvast en dat het nummer alsnog voorbij raast à la Motörhead moet je horen om te geloven.

Het mag duidelijk zijn: De vorm zit er na al die jaren nog stevig in, maar net zoals fijnzinnig, klokvast of stemvork, staat ook perfectionisme nog steeds niet in De Dikke Van Oblivians. Als vanouds is alles ook nu weer live in de studio opgenomen en Desperation klinkt in al zijn slordigheid dan ook alsof het trio vlak voor je neus de pannen van het dak speelt. Het is weinigen gegeven, maar Oblivians weet perfect de intensiteit van de liveshows op plaat te vangen. Net wanneer het allemaal wat te veel van het goede dreigt te worden, brengen ze wat rust met “Little War Child”, een vette knipoog naar Buddy Holly.

Naar het einde toe duiken er toch wat ouderdomsverschijnselen op met afsluiter “Mama Guitar” als pijnlijk dieptepunt. Desperation haalt al bij al dus niet het niveau van Soul Food en Popular Favorites maar komt zeker aardig in de buurt. Bij deze weet elke doorwinterde fan dus wat hem te doen staat. Om de twijfelaars die zweren bij het ietwat subtielere werk van The White Stripes en The Black Keys over de streep te trekken, toch nog even zeggen dat Dan Auerbach een bedankje krijgt in de linernotes, al wordt er niet bij vermeld waarvoor. De bakken bier?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht + zeven =