Eels :: 11 april 2013, Koninklijk Circus

In een tjokvol Koninklijk Circus speelde Eels woensdag en donderdag twee concerten, waar al een tijdje reikhalzend naar werd uitgekeken. De daaruit voortvloeiende nekpijn namen we er met de glimlach bij, waarna we op de tweede dag gingen kijken of Mark Oliver Everett zijn verjaardagsfeestje van een dag eerder voldoende had verteerd.

Om het erg rustige publiek wat bezig te houden, worden een clown, een aap in een rokje, een opblaasbare banaan en een vrouw met gitaar de tent ingestuurd. Tja, in een Koninklijk Circus kan je dat wel al eens tegenkomen, maar voor ons hoeft de clowneske trashversie van “My Heart Will Go On” door Puddles Pitty Party niet echt. En wat Nicole Atkins met de pijnlijke Roy Orbison-cover “Crying” wil bewijzen, ontgaat ons totaal. Wij hebben het alvast gehad met verwarrend geklede frêle dames die alleen gewapend met een te grote gitaar op hun podium hun menstruatiepijnen staan uit te schreeuwen.

Maar Eels dus. Of The Eels! De nuance zit hem in het gedoseerde enthousiasme. De borst vooruit, stoer en dierlijk roepen, maar toch met een knipoog achteruit kijken of er niemand klaar staat om een mes in het hart te prikken. Een gortdroog ‘And here they are’ geeft alvast het startschot van een erg plezierige, maar bij momenten wat vrijblijvende avond. Niet dat we Mark Oliver Everett zijn goede humeur niet gunnen, maar het venijn, het scherpe, is er wat af. De Eels staan dan ook dezer dagen vooral garant voor spetterend spelplezier, alsof het uit een iets te volle pan ontbijtspek komt gespat. Voor het gros van de overigens erg matige setlist wordt dan ook voornamelijk geput uit Wonderful, Glorious!, door collega (pn) — en wie zijn wij om een Philippe tegen te spreken — al een oerdegelijke, gruizige en rommelige rockplaat genoemd.

Enkele nummers wisselen van plaats in vergelijking met de eerste Belgische avond, maar voor het overige is dit zowat de standaardshow die Eels op deze tour opvoert. De groepsleden hijsen zich in een zwarte Adidas-training — Coromar meets Run DMC –, plaatsen een zonnebril op de neus en maken plaats voor getelefoneerde humor. Zo hernieuwen E en zijn gitarist The Chet elke avond hun geloften op de tonen van een flard “Wind Beneath My Wings” (Bette Midler). In Brussel doen ze dat op de Belgische tradionele manier. Met wafels, frieten en een chocoladefontein. En blauwe Chimay, dat uiteraard gewoon van de fles wordt gedronken. Ook wordt er kwistig gestrooid met Belgische pralines, waardoor we eerder het gevoel krijgen naar een Lynchiaanse opname voor De beste hobbykok van Vlaanderen te zitten staren dan naar een rockconcert. Sergio Herman lynchen, het lijkt ons een even puik idee, maar dat terzijde. Uiteraard.

Tussen de bruisende boogie van “Prizefighter” en de zenuwachtige junglerock van “Stick Together” zit alvast genoeg lekkers om een festivalpubliek met de vingers in de neus en zonder behulp van extralegale middelen een hoogtepunt te bezorgen. Wij swipen op onze mentale iPad met plezier tussen de uitstekende versies van “Feeling Kinda Fuzzy”, “Souljacker, Part I”, “Dog Faced Boy” en recente singles “New Alphabet” en “Peach Blossom”. We horen ook meer dan verdienstelijke uitvoeringen van “Oh Well” (Fleetwood Mac) en “Itchycoo Park” (Small Faces), waarbij we onszelf betrappen op een licht mee neuriën met dat laatste. It’s all too beautiful. Het goede humeur werkt aanstekelijk want we bedekken frivole niemendalletjes als “Go Knuckles!” of “Go EELS!” graag met de mantel der liefde.

Alleen is dit een zaalconcert en zitten we niet op een grasweide massa en weed te weerstaan. Ontroerd wordt er dus te weinig, maar als het gebeurt, is het wel ongehoord raak. Midscheeps en onverwacht worden we getroffen wanneer voor de eerste bis dan toch uit het onverwoestbare Electro-Schock Blues wordt geplukt. “Climbing To The Moon” krijgt een bescheiden herkenningsapplausje om vervolgens kelen dicht te snoeren en harten dicht te slibben. Een onverwacht mooi verstild moment in een verder best amusante avond. Koestermoment. Dan toch.

“That Look You Give That Guy” is dan weer een Belgische bis met een geschiedenis, maar in dit Circus houdt het publiek zich rustig en gebeuren er geen onnodige mirakels. De song wordt teruggebracht tot de essentie: gewoon een goede song, die we eigenlijk een beetje beu waren.

Na wat grapjes over het overschrijden van de tijdslimiet (‘What’s the word for a Belgian Fire Marshall?’), het herhaaldelijke bissen (‘Let’s go to prison!’) en de obligate, maar warme groepsknuffel tussen E, gitaristen The Chet en P-Boo, bassist Honest Al en drummer Knuckles floepen sneller dan verwacht de zaallichten aan. Dat de tijd kan vliegen in plezierige omstandigheden, blijkt dus te kloppen. Terwijl het podium wordt ontmanteld, springen Everett en co nog één keer het podium op om hun publiek uit te wuiven, al sinds jaar en dag een Eels-trucje. Ze doen dat deze keer met “Stick Together”, maar de karikatuur die ze ervan maken met de naar rust en stilte verlangende clown is wat van het goede te veel. Muggenziften voor beginners, we lenen het u wel eens.

Verre van een vervelend concert dus, zelfs meer dan overtuigend voor een rockende en goedgeluimde vijftiger. Alleen ontbrak er dus wat bijtende diepgang. Maar ach, u ziet ons nu al stoppen met zeuren. Kijk. En Rock! Uiteraard.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − zestien =