BEST OF: Noordkaap

Geef toe: meestal zijn ze uw geld niet waard, die verzamelaars van uw favoriete groep die u in de winkel vindt. De platenfirma denkt dat enkel singles in aanmerking komen en een artiest zelf is ook al zelden goedgeplaatst om eigen werk te beoordelen. Tijd dus dat het eens aan professionals wordt overgelaten, en wie beter dan een team kenners van enola om maandelijks de vijftien beste tracks van een artiest te selecteren. Deze maand: het beste van Noordkaap.

1. Druk in Leuven

Misschien wel de meest aanstekelijke hit die ooit uit de pen van Meuris en Van Bambost vloeide en tegelijkertijd ook verrassend verwant aan de postpunk die hen zo dierbaar was. De stap van De Brassers naar Noordkaap is hier kleiner dan ooit, al lijkt het aanvankelijk, en daar zitten de bolle borsten en gebalde vuisten van de studenten zeker voor iets tussen, niet veel om het lijf te hebben. Toch is ook dit een versie van het dwaalverhaal dat als een constante door het werk schuifelt.
Hoogtepunt: 2’24”. Gitaarsolo.

2. Een heel klein beetje oorlog

Een van de grote Noordkaap-klassiekers, maar vooral ook een heel erg vreemd nummer. Een ballade, opgebouwd rond de prachtzin “Zou een heel klein beetje oorlog soms niet beter kunnen zijn dan onuitgevoerde moorden en die lachjes van venijn?”, maar dat donkere gevoel komt nauwelijks terug in de muziek. Het pianoriedeltje uit de intro, het ritme en de gitaaraccenten zouden uit een kinderliedje of aanstekeranthem kunnen komen. Niet dus: het is een rauwe roep van wanhoop in het midden van een ruzie die door oeverloos gezwijg wordt overheerst.
Hoogtepunt: 0’50”. Het grote, maar warme contrast tussen Meuris’ schorre “want dit verdriet gaat veel te diep” en de haast vrolijke pianoaanslag.

3. Dat het gauw winter wordt

De meeste verborgen Noordkaap-parel. Uit de soundtrack van de wat vergeten Vlaamse prachtfilm Manneken Pis en (het komt vaker voor) bovendien nog de song die bij de aftiteling hoort. Een heuse verborgen parel (die enkel werd opgevist voor een compilatiealbum), maar Meuris op zijn meest poëtisch laat horen. Terwijl de band naar goede gewoonte tussen onderkoeld en jazzy naar woeste gitaaruitbarstingen schippert, croont Meuris onverstoorbaar verder over een mooie wattman, de rit in haar tram en een verlangen naar winter. Een perfecte samenvatting van de film en haar hoofdpersonage. Wondermooi.
Hoogtepunt: 3’16”. Van Bambost soleert woest en Meuris roept er eens niet over, maar mijmert beheerst verder terwijl buiten de stom woedt.

4. Harde tijden

Het is zaterdagavond, Meuris gaat uit. En in Noord-Limburg is dat geen pretje. De jonge Meuris zijn is dat ook niet. Niet genoeg macho om mee te kunnen met het gebral, niet poëtisch genoeg voor de meisjes. En dus maar het muurbloempje dat van aan de zijkant het gewoel gadeslaat: daar gaat weer één door de ruit. Meuris leeft zich in, voelt de frustratie, en is in het diepst van zijn gedachten een mannetjesputter. Of zoiets: wij zijn zijn therapeut niet. Maar wat een bom van een rocksong.
Hoogtepunt: 1’33”. “Harde tijden, eenzaam lijden/Harde tijden niks voor mij”; Meuris herhaalt het met de koppigheid van een steenezel. Hou hem tegen of hij doet iets ongelukkigs. Hij zweert het u.

5. Rücksichtslos

De Noordkaap van de brute kracht, de Meuris die nog over het woord subtiliteit moest struikelen. Dit is een uppercut van uit het begin; de tijd toen de zanger nog een halve cirkel spuug achter zich liet als hij bezweet van het podium stapte: demonen alweer even in hun hok gedwongen. “Rücksichtslos” is vier minuten frustratie in muziek gebald, voortgejaagd door de snedige gitaar van Lars Van Bambost. Voor als de adrenaline u de oren uitspuit, en een boksbal niet voorhanden is.
Hoogtepunt: 2’44”. “Ja die deur daar, die poort maakte mij kapot”. Het slaat nergens op, maar God, wat ben je blij dat die deur aan gort is getrapt. Dat het tijd werd, verdomme. Whoaaargh. Ja, Meuris is nogal aanstekelijk in zijn razernij.

6. Arme Joe

De start. De dag van vandaag (tweeëntwintig jaar later!) klinkt de hartrock van “Arme Joe” al behoorlijk verouderd (die drums!) en is Meuris’ geaffecteerde zang een goed voorbeeld van te hard proberen, maar zelfs nu is hoorbaar wat een adrenalineshot dit onheilsverhaal destijds schonk aan de Nederlandstalige rock-‘n-roll. Knappe solo’s van Lars Van Bambost (nog altijd een van de meest onderschatte Vlaamse gitaristen) en harmonicaspeler Mark Thijs, maar het is zonder twijfel de begeesterde, of zeg maar manische, performance van Meuris die domineert. Zoals zo vaak in de erop volgende jaren ging je je afvragen of hij beter niet een carrière had gekozen in een volumineuzere omgeving. Al is die voortdurend uit de hand gelopen dosering net de troef bij uitstek van de rockende Noordkaap.
Hoogtepunt: 2’19”. “Maar niemand wist dat de piloo-oot, die dag afspraak had met de (*pauze*) DOO-OOD!” Stijn Meuris, een Henry Rollins in het diepst van z’n gedachten.

7. Het Zou Niet Mogen Zijn (Mensenzee)

Wat is Kunst? Volgens dichter Willem Kloos was dat – u weet wel – de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Welke woorden Kloos koos zou Meuris dus niet dwars mogen zitten. Maar in het met mooie, punctueel gelardeerde strijkers “Het Zou Niet Mogen Zijn (Mensenzee)” doet het dat wel. Woorden schieten hun doel voorbij en tekort. Leg het ook maar eens uit. Wakker zijn terwijl de wereld rust. Insomnia met een schuldgevoel. Een terugkerend thema ook bij Meuris. Het gevoel geen ankerpunten te hebben in de massa, de zee van mensen. Het zou niet mogen zijn, maar het is wel zo. Er klinkt in deze sleper eerder berusting dan vechtlust.
“Het Zou Niet Mogen Zijn (Mensenzee)” staat ook al op het onmisbare Gigant en is prachtige poëzie voor nachtradelozen. Met een Moody Blues-orgeltje.
Hoogtepunt: 3′ 16″. Meuris geeft een laatste keer toe, beseft een laatste keer dat het eigenlijk not done is, maar er ook niet zo gek veel aan te doen valt. De aard van het beestje en betere verhalen. Het hakt er alleszins goed in voor de lekker lange outro een dekentje over de overpeinzingen drapeert.

8. Triest

Specialleke uit de soundtrack van Alles Moet Weg, en een van de laatste songs van de ‘originele’ Noordkaap. Misschien ook een van de meest onderschatte songs uit de discografie. Vooral de verrassend ingetogen, haast monotoon gemurmelde voordracht van Meuris is opmerkelijk. Nogal een verschil met de rauwheid die we gewoon waren. Komt aanvankelijk volledig tegemoet aan z’n titel, maar stijgt halverwege omhoog uit de terneergeslagen sfeer om een wending te krijgen die meer aansluit bij het flukse drumpatroon. En net dan krijgt dat hoogtepunt z’n betekenis.
Hoogtepunt: 3’04”: terugkeer van het refrein.

9. Pretentious Moi

Uit de onterecht in de vergetelheid geraakte zwanenzang Massis, kwam deze glorieuze popsingle op een discobeat. Een geluid dat intussen redelijk ver verwijderd is van de boze, donkere gitaarrock van Noordkaaps eerste albums, maar een song die andermaal bewijst dat Meuris en Van Bambost vooral een fantastisch songschrijfduo zijn. Een song die zonder blozen naast het hitgevoeligste van pakweg Blur of Pulp kan staan.
Hoogtepunt: 2’02”: Het dreigende, schorre “ça va?”. Tussen de gelikte geproducete discoriedels, bliepjes en catchiness verliest Meuris zijn scherpe kantjes niet.

10. Gigant

Noordkaap heeft veel mooie dingen gedaan in zijn tienjarige bestaan, maar beter dan deze single uit 1994 werd het niet meer. Niet “Mia”, niet “Als ze Lacht” of “Twee Meisjes”, maar dit is de allerbeste Nederlandstalige song van de voorbije 25 jaar. Zeer zacht opgebouwd met zachte drum, bas en zeer spaarzame gitaar en piano, maar met korte, woeste uitbarstingen die even plots weer verdwijnen. Ook de zang is op het gebrulde “Gigant” na zacht en kalm. De studioversie is als een monster dat enkel in het refrein even het masker laat vallen, maar in de overrompelende liveversie was het monster na het tweede refrein niet meer rustig te krijgen en stond de zanger steevast indrukwekkend op de rand van het podium te briesen.
Hoogtepunt: 2’46”. De song heeft even — zeer overtuigend — zijn tanden laten zien, maar vlijt zich nu weer poeslief aan je voeten neer met een gedempt gitaarakkoord.

11. Het komt voor in de beste families

Godmiljaar, zo melig. Wollig orgeltje, melodieus huilende gitaarintro, gezapig tegeltempo. En dan hoor je Meuris en vraag je je af wat die brulbeer daar staat te doen. Die gretige Limburgse tongval, met een Bastosreutel die achteraan z’n keel verstopt zit, het lijkt wel alsof die er al een half leven roepen en tieren naast de zijlijnen van Vlaamse voetbalstadions op heeft zitten. De song was een sleutelmoment op Een heel klein beetje oorlog, de aanloop naar het nog furieuzere “Vroegerhater”, en een schakel op weg naar het piekmoment dat niet veel later zou volgen.
Hoogtepunt: 1’31”: “Je bent gek, voor je erom wee-eent”. Croonen, baby!

12. Luwte

“Luwte”, een ietwat bevreemdende song op de laatste Noordkaap-cd, komt met een eerste en een tweede helft. Voor de rust klinkt de bas gifdonker, laat Van Bambost zijn gitaar zenuwachtige cirkeltjes draaien en schreeuwt Meuris zich schor over de schaduwkanten van een leven zonder veel feedback. Hij maakt de borst ostentatief ironisch nat en maakt zich druk over vastgeroeste rituelen (“Koffie gezet/altijd op zondag/want dat wil de wet”) en schijnheiligheid (“Hoe schoner het volk/hoe valser de toon”). Na twee minuten tuimelt het nummer gracieus in elkaar en volgt een desolate hunkering naar erkenning. Het nummer eindigt in een grootstedelijke kilte.

Hoogtepunt: 0′ 15″. Een binnenkomer met kopstoot. Meuris eist met de nodige zelfspot zijn plaats op. Herman Van Veen indachtig raadt hij iedereen aan opzij, opzij te gaan.

13. De Belofte Jong Te Sterven

Larmoyante afsluiter van Gigant, langste nummer uit de catalogus. Deze “De Belofte Jong Te Sterven” is dan ook een fabuleus Noordkaapmoment. Uit de gitaar van Van Bambost druppelen droeve tranen, de tikken op de drums zijn volgehouden hartslagen. En Meuris zong zelden beter, ook als echo van zichzelf in het refrein. Het hunkeren naar de stilte in het hoofd, het blijven vechten tegen beter weten in. “De Belofte Jong Te Sterven” is minder expliciet dan “Asleep” van The Smiths, maar is evenzeer uitmuntend zelfmoordmateriaal. Het nummer sterft dan ook zachtjes uit in zelf opgenomen soundscapes van fluitende vogeltjes. Pijnlijk mooie song.
Hoogtepunt: vanaf 2′ 53″. Het refrein, met een Meuris die vanuit de verte zich schuldig voelt over zoveel zelfbeklag en openheid. Waarna een heerlijk lange outro volgt, die de miserie nog wat meer omarmt.

14. Panamarenko

Het kloppende hart van Gigant, het absolute meesterwerk van Noordkaap. Een zeldzaam mededogende Meuris buigt zich over die ene aan het andere eind van de zaal; die eenzame gast die er elke keer bij is. En projecteert daar naar hartenlust op. Het is een Johnny. Zijn lief is weg. En zo voort. Meuris begrijpt hem. Schetst meer dan hij uitlegt. En Panamarenko is gewoon een mooi woord. Een kloppend hart: we zeiden het al.
Hoogtepunt: 0’01”. Die drums die als een woelige polsslag het nummer vooruit stuwen.

15. Massis

“Vrijdagmiddag 13 maart, Muidevaart, koude wind die door de Gentse straten waart”. Om één of andere reden had Meuris, zo ter hoogte van 1999, een fascinatie voor het leven van de tragische krachtpatser John Massis opgelopen. Een geval van herkenning in dat “hij beet zich vast in het leven met alle woede in zijn lijf”? In elk geval: de titelsong van Noordkaaps zwanenzang vat de essentie van het diep ongelukkige leven van deze Don Quichote in één van die pakkende trages waar de groep altijd een patent op had.
Hoogtepunt: 4’05”. “Volksheld uitgeteld, ach meneer er wordt zoveel verteld”; het verhaal in een notendop nog eens samengevat.

Tot onze grote spijt kunnen we deze best of niet aanbieden via onze Spotify-account: niet alle nummers waren beschikbaar. U zult dus zelf creatief aan het knutselen moeten met cd’s en mp3’s.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 − vier =