Blues Peer :: Schot in de (zomer)roos

De tweede editie van het vernieuwde bluesfestival in Peer had alvast een constante: veel variatie. Maar zou daar ook veel volk op afkomen?

Daar hoeven ze zich in Limburg voorlopig geen zorgen over te maken: de gratis vrijdagavond (voor de gelegenheid omgedoopt tot Peerse Feesten) was gezellig druk en op zaterdag en zondag mochten ze het bordje ‘uitverkocht’ ophangen. Al zal het goede weer er ook wel voor iets hebben tussen gezeten. Want geef toe: na die kwakkelende lente is de mens toe aan zon en veel pintjes.
Die Peerse feesten op vrijdag hadden eigenlijk bitter weinig met blues te maken, maar lokten toch veel nieuwsgierigen naar de tenten.

Terwijl Noordkaap in de grote tent (aka UPTOWN) de soundcheck op gang trok, blies Sloper in de kleine tent (aka Club Mississippi) al meteen het dak aan flarden. Sloper bestaat uit twee duo’s: twee drummers en twee gitaristen/zangers. Drummers van dienst zijn Mario Goossens en Cezar Zuiderwijk. Beide heren hebben hun strepen achter de drumkit al lang verdiend, maar amuseren zich nog steeds rot. Iets minder gekend is de Brit Peter Shoulder, die de meeste zangpartijen voor zijn rekening neemt. En dan is er nog Fabio Canini, voor de meesten in het publiek een nobele onbekende, maar dat is naar vrijdag duchtig veranderd. Shoulder is eerder het rustige type, concentreert zich op zijn zang, maar Canini is de extraverte gitarist, eentje die op zijn dooie gemak de een na de andere riff uit zijn gitaar tovert.

Hij was dan ook de grote publiekstrekker, stond regelmatig op de rand van het podium te soleren. Topentertainment, dat wel, maar niet bijster origineel: de nummers vertoonden af en toe echo’s van Triggerfinger-nummers, en Shoulder stond iets te veel afwezig te zingen.

Tijd om een plaatsje te zoeken op de eerste rij in de grote tent, alwaar Noordkaap nog eens van jetje gaf. Hoelang deze reünie zal duren, weet niemand, maar dat er duchtig van geprofiteerd werd, was duidelijk te zien aan de overvolle tent.
De rockgoden van de jaren 90 zijn allang niet meer zo jong, maar ze walsen nog steeds over hun publiek heen. Toegegeven, dat bestaat niet echt meer uit veeleisende pubers, maar ze gaven zich ook niet direct gewonnen. Ook al was dit een thuismatch voor Meuris, met plaagstoten naar ‘die van Kleine Brogel en die van Peer’, toch waren de mannen niet gekomen voor een gezellig onderonsje. Nee, er moest gerockt worden!

En dus haalde Lars Van Bambost een eerste keer verwoestend uit tijdens “Panamarenko”, en liet bassist Erik Sterckx in “Pretentious, Moi” zijn instrument door heel Peer en omstreken dreunen. Stijn Meuris was bijzonder goed bij stem, zijn absurdistische maar rake teksten werden alweer meegebruld alsof ze de heilige bijbel waren. “Verloren Dag” was weer ontroerend in zijn eenvoud.

Voor wie ‘voor de hits’ gekomen was, trokken Meuris en de zijnen dan weer van leer tijdens “Satelliet Suzy”, “Arme Joe” en “Druk in Leuven”. En een weldenkend mens vraagt zich dan af: zou hij nog steeds eenzaam door de straten van Leuven slenteren?

Ondanks het feit dat Meuris ongetwijfeld de hoofdreden is voor die volle tent, stond Van Bambost daar in de marge (en in de spotlight, dat had de lichtman goed gezien) zichzelf weer te overtreffen. “Gigant” was loeihard entertainment, en in “Bedland” bewees de gitarist dat er geen grote gebaren en opzichtig uiterlijk vertoon nodig is om dodelijk efficiënt de tent op zijn kop te zetten. En in “Een heel klein beetje oorlog” danste hij ontketend rond de noten die hij uit zijn gitaar perste.

De obligate afsluiter ten spijt vraagt een mens zich (alweer) af: hoe komt het dat een groep die al lang niet meer officieel bestaat relevanter en urgenter klinkt dan wat in de hitparade te vinden is? Antwoorden op een gele briefkaart naar de enola-redactie aub.

’t Was een korte nacht, maar op zaterdag stonden de mensen alweer paraat, nu voor hun jaarlijkse portie blues en aanverwanten.

Wie alvast voor een leuk namiddag intermezzo zorgde, was de Brit Errol Linton. Samen met zijn extraverte gitarist Ritchey Green trok hij alle aandacht naar zich. Linton werd geboren in Londen en maakte jaren de straten van de Britse hoofdstad onveilig als straatmuzikant. Zijn blues is een mix van reggaegeluiden en klanktonen die recht uit de Zuidelijke staten van Amerika komen. Telkens hij op zijn mondharmonica blies, waanden we ons in een jukejoint in Louisiana, maar altijd met een Europese twist. Zweterige muziek in een zweterige tent, ideaal om het publiek een zomers gevoel te geven.

Linton zelf was eerder schuchter op het podium, probeerde de mensen te overtuigen met de kracht van zijn muziek, maar de vonk sloeg toch niet echt over. Maar wel het perfecte zaterdagnamiddag-vertier: soms opzwepend en soms verstild. Wervelend was het niet altijd, maar toch zeer verdienstelijk.

De prijs voor onterechte sisser van het weekend gaat spijtig genoeg naar Meskerem Mees. De Rock Rally winnares van 2020 is nog maar 23, maar toch weet ze als geen ander hoe ze zich op een podium moet gedragen. Spijtig genoeg vond een groot deel van het publiek dat het moment gekomen was om bij het nuttigen van een paar pinten hun afgelopen week/weken te overlopen.
Te veel gebabbel dus, waarom ga je bij een zonnige zomertemperatuur in een tent staan, als wat zich op het podium afspeelt je toch niet echt interesseert?

Meskerem Mees en cellist Frederik Daelemans probeerden het zich niet aan te trekken, maar je kon toch zien dat ze niet echt op hun gemak waren. En dat was verdomd jammer, want wat een goeie stem heeft deze jongedame. En met bakken talent en prachtige songs had dit top kunnen zijn in plaats van een geplaagd optreden. Ook al door die slecht afgestelde microfoon, waardoor een vervelende fluittoon Mees uit haar concentratie bracht.

“Astronaut” bracht niettemin ook nu weer de nodige reflectie, en anti-oorlogslied “Man Of Manners” hakte er ook weer in. “Queen Bee” was een voltreffer waarin Mees uithaalt met haar stem alsof ze een statement wil maken: ze mag er dan uitzien als een lieflijk meisje, maar hier stond een vrouw die haar ding doet, of je het nu leuk vindt of niet.

Voor velen was Robert Cray dé reden om op zaterdag naar Peer af te zakken. Cray lokt altijd volk, gaat al jaren mee en staat garant voor gedegen kwaliteit. Dat kan al eens wat saai overkomen, maar in Peer had de Amerikaan er duidelijk zin in.

Cray begon zijn muzikale carrière in de jaren 70, maar het was midden jaren 80, met het album Strong Persuader dat hij echt potten brak, ook buiten de bluesscene. “Smoking Gun”, maar vooral “Right Next Door”, zorgen ervoor dat iedere muziekliefhebber, ongeacht welk genre hij of zij prefereert, wel eens van hem gehoord heeft. Cray wordt vaak met andere bluesgrootheden als Eric Clapton genoemd, maar sinds een publieke ruzie vorig jaar over diens laatste (nogal extreem) rechtse standpunten kunnen beiden niet meer door dezelfde deur.

Groot succes in de jaren 80 of niet, de Amerikaan maakt nog steeds muziek en neemt albums op. En dus stond hij nog eens op het podium van Blues Peer, met aan zijn zijde oude getrouwe bassist Richard Cousins. Cousins is in podiumprésence het omgekeerde van Cray: extravert, spreekt het publiek aan, en toont zichtbaar emotie terwijl hij speelt. Cray was daarentegen altijd al een koele kikker, al kon de goede kijker hem nu toch betrappen op enkele glimlachjes en verbeten trekken rond de mond tijdens het soleren: het was duidelijk dat hij er zin in had want zijn oerdegelijke solo’s klonken minder steriel. Voor grote gebaren en uitzinnig gedrag moet je niet bij Cray zijn, maar hij legde zijn ziel in wat hij zong, en dat kon het publiek echt wel smaken. En, hij was bovendien bijzonder goed bij stem, die soulvolle klanken vulden de volledige tent, zijn muziek ging er bij het publiek in als zoete koek. Al snel in de set kwam “Sitting On Top Of The World” voorbij, en in “The Things You Do To Me” zat een vaart die we niet van Cray gewoon zijn. Natuurlijk kon “Right Next Door” niet ontbreken, al kon het voor het publiek tegen dan al niet meer stuk. Niet de échte headliner op de affiche, maar voor velen eigenlijk toch weer wel.

Op zondag vroeg op het appèl. Nee, niet voor de gospelgezangen, maar voor Malvin Moskalez feat. Steven De bruyn. De Oost-Vlaming bracht vorig jaar zijn debuutalbum For The Beauty Kept Inside (geproduceerd door Steven De bruyn) uit. Enigzins merkwaardig als je weet dat hij de 50 nadert. Echter, Nico Goethals, de echte naam van Malvin Moskalez, heeft al heel wat watertjes doorzwommen. Als dertiger kreeg hij een zwaar motorongeluk en verloor een onderbeen en heeft sindsdien constant pijn. Een pijn die hij in zijn nummers verwerkt. Nummers die zo puur en eenvoudig zijn, dat het publiek er stil van werd.

Toegegeven, waarschijnlijk kwamen heel wat mensen op de naam De bruyn af. Maar ze bleven hangen. Meer nog: hoe langer het optreden duurde, hoe enthousiaster en luider het applaus werd. Met zijn soulvolle vaste stem en subtiel gitaarwerk deed Moskalez iedereen stil staan bij de onvoorspeelbaarheid en breekbaarheid van het leven, de teksten van “The Shores”, “Broken” en zeker “She Said” deden heel wat bezoekers slikken.

Af en toe zijn er van die optredens die een mens naar adem doen happen en voorbij zijn voor je er erg in hebt. Malvin Moskalez heeft er zo eentje op zak. En Blues Peer heeft alweer voor een mijlpaal gezorgd.

Heel andere koek is de southern rock van Robert Jon & The Wreck. Al jaren timmeren ze aan hun weg en dat harde werken lijkt eindelijk vruchten af te werpen: na eerdere passages in o.a. Het Depot in Leuven mogen de Amerikanen uit Californië nu ook in Peer nog eens laten zien waarom ze the next big thing zijn. Zanger Robert Jon Burrison is een goede zanger en gitarist, maar de gitaarster van de groep is wel Henry James Schneeluth die door zijn verschijning alleen al memorabel is. En bassist Warren Murrel lijkt de kalmte zelve, totdat hij zijn bas omgordt en begint te spelen. Het kleine podium was net dat, te klein.

Robert Jon & The Wreck hebben goed geluisterd naar hun illustere voorgangers zoals Lynyrd Skynryrd en The Allman Brothers, want ook hun sound zit vol zonnige en melodieuze gitaar- en swingende baslijnen. Vooral “Do You Remember” brengt je direct naar de Zuidelijke staten van de VS. “Shine A Light On Me Brother” is dan weer goed onderbouwde rock ’n roll en werd luidkeels door de vele fans gebruld.

Topconcert en alvast een bevestiging van hun reputatie, al is dit enkel gesneden koek voor de liefhebbers van southern rock.

Luka Bloom op een bluesfestival? Alvast een symptoom van de verbreding en het brengt een publiek naar Peer dat er normaal gezien geen voet zou binnen zetten. Goede zet dus van de organisatie.

In de jaren 80 en 90 was de jonge Barry Moore een rijzende ster in het folk-/rockgenre. Dat sterrendom is echter niet echt aan hem besteed en hij doet gewoon sindsdien zijn zin, zijnde ijzersterke nummers maken die niet bedoeld zijn om de hitparades te bestormen, maar om de mensen te beroeren.

Met zijn Ierse flair en gevoel voor humor wint Luka Bloom al snel de tent voor zich: waar het Meskerem Mees niet lukte op zaterdag, had hij op zondag meer succes. Zijn Ierse folk en die fantastische lyrische stem deden het publiek verstommen. Hij maakte het zichzelf en zijn fans nochtans niet gemakkelijk: geen greatest hits-set, maar subtiel weefde hij enkele van zijn gekendste nummers doorheen zijn uurtje op het podium.

Bloom staat erom gekend dat hij zijn publiek graag laat meezingen. En na een nummer was het al prijs. Een hele tent horen meebrullen met “Fertile Rock”, dat moet een serieuze energierush geven. Het zwierige “I’m A Bog Man”(aka de turfsteker) bracht de mensen in vervoering, maar ook de instrumentale nummers “I Hear You” (geschreven tijdens de pandemie, en opgedragen aan iedereen die tijdens die periode iemand verloor aan het virus) en “The Swallows Return” waren voltreffers. Om dan toch te eindigen met een trio gekendere nummers: “Exploring The Blue” mocht rekenen op enkele kreten van herkenning, maar ook “Gone To Pablo” en een furieuze versie van “Rescue Mission” gingen erin als zoete koek. Een optreden van Luka Bloom is echter niet af zonder zijn versie van “Sunny Sailor Boy” (geschreven door Mike Scott), met publieksparticipatie.
Luka Bloom op een bluesfestival? Ah ja, waarom niet?

De jonge Franse soulman Ben L’Oncle Soul was voor velen een illustere onbekende op dit festival, getuige de bijna lege tent toen de man aan zijn set begon. Maar beetje bij beetje kwamen de mensen toch luisteren en beter nog, ze bleven rondhangen.

Benjamin Duterde, zoals de man in het echt heet, brengt zoetgevooisde loungy soul. “Walk The Line” is een al iets ouder nummer, en bracht de heupen lichtjes aan het deinen, maar het was voor ’s mans cover van “Seven Nation Army” die op wat herkenning mocht rekenen. En ook “Je Suis Un Soulman” kreeg de mensen aan het dansen. Duterde heeft net een nieuw album uit, en daar koos hij gretig uit. “A Rose” doet denken aan een jonge Stevie Wonder, maar het optreden bleef toch een beetje steken in dat rustige soulvolle timbre.

Als bisnummer koos de Fransman voor een cover van “I’ve Got You Under My Skin”, enkel met een simpele gitaarbegeleiding. En uiteindelijk was dat nog het grootste kippenvelmoment van het optreden. Ben L’Oncle Soul gaf het beste uit zijn jonge lijf, en het was wel heel sfeervol, maar misschien toch niet echt geschikt voor het grote podium?

The Waterboys gaan al zo’n 40 jaar mee, maar te oordelen aan het publiek zijn ze nog steeds populair, want ook de jongere generatie(s) stonden geduldig te wachten tot het moment aangebroken was. Door de jaren heen zijn er heel wat personeelswissels geweest, met als enige constante zanger/gitarist Mike Scott. Zonder zijn unieke stemgeluid zouden The Waterboys gewoon The Waterboys niet meer zijn.

In tegenstelling tot Luka Bloom werd hun doortocht in België wel een overzicht/greatest hits-optreden, met al heel vroeg “How Long Will I Love You” en “A Girl Called Johnny” in de set. Voordeel hiervan is dat iedereen direct mee is en blijft meebrullen, ook met de iets minder gekende nummers.

Er was ook ruimte voor wat introspectie met “This Is The Sea” en omdat ze toch op een bluesfestival stonden, “The Lake Isle Of Innisfree”, wat volgens Scott een écht Iers bluesnummer is. Ook al is de tekst oorspronkelijk van dichter WB Yeats. Die éne echte blues, “The Fisherman’s Blues”, daar hadden ze gelukkig ook nog wat tijd voor. En “Blackberry Girl” was dan weer een recenter nummer en toonde aan dat The Waterboys nog steeds een patent hebben op folk met een rock en funky twist.

Na al die jaren hoef je Mike Scott niet meer wijs te maken hoe hij een optreden moet opbouwen en dat hij zijn medemuzikanten ook ruimte moet geven om op de voorgrond te treden. Scott was zeer genereus op dat vlak: Hij noemde bassist Aongus Raiston ‘The funkiest bassplayer in Ireland’ en ook de extraverte pianist James Hallawell kreeg meerdere open doekjes.

De passage van The Waterboys was memorabel, eentje waarmee de organisatie van Blues Peer zich (opnieuw?) op de kaart gezet heeft. Bij vorige edities gebeurde het al eens dat het publiek het al voor de laatste groep had opgegeven, maar niet in 2023. En dat alleen is al een prestatie.

Op naar Pinksteren 2024 dus?

Beeld:
Kathy Van Peteghem

aanraders

verwant

Luka Bloom :: “Ik sta met beide voeten in het heden”

Een ervaren rot in het vak. Een vaste waarde...

Noordkaap

27 april 2023De Roma, Borgerhout

Nog een zomer, nog een clubtour "en dan zien...

Crammerock :: 2 en 3 september 2022

Dat het een hete zomer was, mijnheer. En om...

Noordkaap

2 september 2022Crammerock, Stekene

TW Classic 2022 :: Nostalgie als grootste gemene deler

Twee festivals voor de prijs van een vandaag: TW...

recent

Masters of the Air

Toen begin deze eeuw Band of Brothers verscheen, sloeg...

Fontaines D.C. :: Starburster

Fontaines D.C. for the bigger and bolder: vierde album...

Manu Chao

16 april 2024Het Bau-Huis, Sint-Niklaas

Morrissey wilde op de Lokerse Feesten geen paardenworst, Manu...

Civil War

Nog voordat iemand de film gezien had, veroorzaakte Alex...

Animalia

Het MOOOV-filmfestival biedt een staalkaart van het beste uit...
Vorig artikel
Volgend artikel

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in