Throbbing Gristle :: Who’s afraid of industrial music?

Hoewel het er aanvankelijk naar uitzag dat Throbbing Gristle een obscuur avant-gardeverschijnsel zou blijven, werd gaandeweg duidelijk dat het kwartet een even compromisloze, complexe als invloedrijke schakel in de moderne muziekgeschiedenis is. Industrial, elektronische muziek, multimediaal experiment en zelfs synthpop zouden nooit hetzelfde geweest zijn zonder dit fenomeen. Tijd voor een doorlichting.

Ze werden verguisd, bedreigd en ‘wreckers of civilization’ genoemd voor ze goed en wel op dreef waren, en ook al overlapte hun bestaansperiode (1975-1981) met die van de punk, er was meer gaande in de vernieuwende herrie van Genesis P-Orridge (Neil Megson), Cosey Fanni Tutti (Christine Newby), Chris Carter en Peter “Sleazy” Christopherson dan antiburgerlijke atonaliteit. Cabaret Voltaire ontstond nog wat eerder, maar Throbbing Gristle is waar industrial echt op de kaart gezet werd. Wordt dat label dezer dagen vooral geassocieerd met de rock/metalvariant van volk als Ministry, Fear Factory en Nine Inch Nails, dan was het schokkende origineel niet alleen donkerder en confronterender (al kan je een stuk als “Six Six Sixties” bijna als proto-industrial metal beschouwen), maar vermoedelijk ook een langer leven beschoren.

Het verhaal van Throbbing Gristle is bovendien verbonden aan dat van Industrial Records. Het was artiest Monte Cazazza die de slogan “industrial music for industrial people” bedacht als omschrijving voor releases die de soul, structuur en menselijke inbreng van popmuziek resoluut de rug toekeerden. Throbbing Gristle putte uit een traditie van musique concrète, Stockhausen, het ‘georganiseerde geluid’ met gevonden objecten van Varèse, en vermengde dat met invloeden uit krautrock en de vroege elektronica van Kraftwerk en Silver Apples. Er zijn overduidelijke verwantschappen met Cabaret Voltaire en andere, al even tegendraadse pioniers als Suicide, Chrome en Pere Ubu (Datapanik In The Year Zero), maar het kille braakland van dit gezelschap is na meer dan drie decennia nog steeds uniek.

Coum Transmissions – reconnaissance

De vier leden waren voor het ontstaan van de band al betrokken bij Coum Transmissions, een kunstenaarscollectief dat al sinds 1969 actief was en zich even sterk liet inspireren door transgressieve literatuur, geïmproviseerde muziek en multimediaspektakels. De koers was resoluut experimenteel, asociaal en van cruciaal belang voor de obsessies die ook de performances van Throbbing Gristle zouden kenmerken: de iconografie van fascisme en nazisme (hun geschiedenis zit vol met paramilitaire kostuums en parafernalia), pornografie (met vleselijke bijdrage van Fanni Tutti), dood en mutilatie.

Hoogtepunt én eindpunt was de tentoonstelling Prostitution, die in 1976 plaatsvond in het Londense Institute of Contemporary Arts, en zelfs aanleiding gaf tot een politiek debat over het subsidiëren van dergelijke ‘ontaarde’ kunst. Lang na de eerste exploten van Dada en Fluxus voelde de maatschappij zich nog steeds in het kruis getast door dergelijke agressieve boodschappen. De late periode van Coum stippelde het parcours uit dat Throbbing Gristle zou volgen, met agressieve geluidscollages die, meer nog dan door het baswerk van P-Orridge en gitaarspel van Fanni Tutti, gedomineerd werden door de analoge elektronica van Carter en de gevonden geluiden en tapemanipulaties van Christopherson, die aangewend werden om publiek en pers te schokken of, idealiter, wakker te schudden.

Throbbing Gristle – let’s start a war

De band werd meermaals omschreven als een stel doorgeslagen nihilisten die een culturele guerilla voerde die halsstarrig anticommerciële standpunten innam. Zo werd debuutalbum The Second Annual Report Of Throbbing Gristle (1977) aanvankelijk uitgebracht in een beperkte oplage van 785 exemplaren. Er zouden uiteindelijk nog persingen komen, maar zo was er een notoire versie die het hele album achterwaarts liet horen. Een vergelijkbaar scenario deed zich voor met vroege single “United”, die terugkeerde op het tweede album, maar dan in versnelde versie, waardoor het amper twintig seconden duurde. Klassieker “Slug Bait” belandde ook op hun sarcastisch getitelde Greatest Hits, maar dan als “Tiab Guls”.

Was het debuut nog een verzameling van liveopnames, dan werden met het tweede album de mogelijkheden van de studio verkend, al ging de nadruk zo mogelijk nog sterker liggen op het machinale, vervreemdende aspect van hun muziek, met koude, mechanische stukken vol ruis en gerammel, walgelijk vervormde vocalen en een radicale omkering van de popmethodologie, die een onuitputtelijke bron van inspiratie zou blijken voor volgelingen als Swans, Einstürzende Neubauten, Foetus, Nurse With Wound en zelfs de Belgische EBM-pioniers van Front 242.

Vanaf hun derde album, 20 Jazz Funk Greats kreeg de muziek van Throbbing Gristle een iets menselijker gelaat en vond er een verschuiving plaats naar een toegankelijkere (i.e. minder afstotende) aanpak, waarbij de bekende methodes gekoppeld werden aan een sterkere nadruk op gebruik van synthesizers en melodieën. Had de ingenieuze collage enerzijds een onmiskenbare invloed op acts als Negativland, dan kregen ook de postpunk en synthpop, na het instorten van de eerste punkgolf dominant in het alternatieve circuit, een injectie van het werk van Throbbing Gristle. Tot op de dag van vandaag dragen enkele van de meest uiteenlopende, undergroundbands, zoals Wolf Eyes of Emeralds, duidelijk de sporen van Throbbing Gristles pionierswerk.

Na 1981 – aftermath

Frontman Genesis P-Orridge zette de koers vergelijkbaar verder met zijn legendarische duiventil Psychic TV, een collectief dat voortdurend van bezetting wisselde en een mengvorm bracht van industrial, elektronische muziek, performance art, psychedelica, postpunk en zowat elk genre dat hij bruikbaar vond. Was de discografie van TG nog enigszins beperkt (ondanks een resem postume albums), dan was dat bij PTV andere koek: er kwam een stortvloed aan releases, die even divers als uitzinnig was. In de jaren tachtig werd op hoog niveau gewerkt, daarna kwam de consistentie in het gedrang en leidde het tot occasionele parels tussen vaak richtingloze en platte onzin, regelmatig verpakt in enkele van de lelijkste albumcovers uit de muziekgeschiedenis.

Daarnaast kwam P-Orridge vooral om andere redenen in het nieuws, omdat hij niet enkel de muziek tot kunst wilde verheffen, maar zich ook lichamelijk liet aanpassen voor zijn befaamde ‘pandrogyne’-concept. Christophers ging aanvankelijk mee in het Psychic TV-verhaal, maar vormde al snel Coil met John Balance. Die band produceerde een nog sterkere discografie dan Throbbing Gristle, al zijn de releases nu zo goed als onvindbaar. Een verhaal voor een andere keer. Chris Carter en Cosey Fanni Tutti zijn tot op de dag van vandaag een koppel en maken nog steeds muziek. Eerst was dat als Chris & Cosey, sinds 2000 als Carter Tutti. Het is slechts een korte samenvatting, want de vier hebben er even uiteenlopende als productieve carrières op zitten. Het bewijst alleszins dat er achter Throbbing Gristle meer stak dan een opruiend stel provocateurs.

2011 Reissues

De vier albums en een soort best of-compilatie van Throbbing Gristle werden einde 2011 opnieuw uitgegeven door Industrial records en Mute. Alle albums werden door Chris Carter zelf onder handen genomen. Toegankelijk zijn ze nog altijd niet (de releases verschenen ook met de melding dat bepaalde timbres en geluidseffecten — taperuis, noise, vervorming — essentieel waren voor de luisterervaring), maar worden nu in betere versie dan ooit gepresenteerd. Bovendien worden alle albums vergezeld van een bonus-cd, met live opnames en singles, waardoor de aanschaf van deze releases een compleet beeld van de klassieke periode oplevert.

The Second Annual Report Of Throbbing Gristle (1977)

Anno 2012 is het nog altijd schokkend hoe weinig moeite hier gedaan wordt om een publiek te behagen. Deze verzameling liveopnames vol gierende feedback, zeurende machines, jankende gitaar en industriële chaos is nog altijd een intentieverklaring die even beklemmend als angstaanjagend is. Gaat het hier en daar door een repetitieve baslijn nog richting Can, of door een eenvoudige synthgolf richting Kraftwerk, dan wordt hier ook een nieuwe traditie van onmenselijke horror in het leven geroepen. Zo kan het gore moordverhaal “Slug Bait” op papier niet meer lijken dan gefundenes Fressen voor cartooneske speedmetal. Maar dan ga je luisteren en zit je aan je stoel genageld.

De eerste albumhelft bevat een resem stukken uit de vroegste bandperformances, met ook een geinig brokje waarin een dj het publiek uitscheldt (“You’re a load of fucking wankers. If they’ve got something to say, why don’t you let them say it instead of just sitting there like a load of tits; like a load of wankers?”), dan bevat de tweede albumhelft een livesoundtrack bij de Coum-film ‘After Cease To Exist’. Dat is voor een keer geen verknipte collage, maar een verrassend samenhangende trip, coherent en spaced out tegelijk, die rondpummelt tussen pulserende geluidsgolven, futuristische onzin, zieke dolfijngeluiden, opduikende sirenes en ongemakkelijke koortsdroom.

D.o.A.: The Third And Final Report Of Throbbing Gristle (1978)

De eerste klassieker van Throbbing Gristle, met zowel live- als studio-opnames, en de plaat waarop de machines het nog sterker voor het zeggen krijgen. In opener “I.B.M.” en “Walls Of Sound” leidt dat tot gedepersonaliseerde, welja, geluidsmuren, die de heerschappij van het machinale onderstrepen. Meest opvallende concertstuk is het met kierewiet geschreeuw volgestouwde “Hit By A Rock”, dat de waanzin van Butthole Surfers al aankondigt (helemaal geen vreemde vergelijking, want Gibby Haines zou later nog opduiken aan de zijde van Psychic TV). Even alarmerend, maar dan op een andere manier, zijn de antwoordapparaatboodschappen van “Death Threats”, die daadwerkelijk geadresseerd zouden zijn aan de band.

Opvallend zijn ook de vier solostukken die terug te vinden zijn op het album. Ze verschillen niet enkel enorm, maar geven ook een indicatie van de vier rollen binnen de band. Fanni Tutti’s “Hometime”, opgebouwd rond geluiden van converserende kinderen, is haast even onschuldig (schattig bijna) als P-orridge’s spookachtige ballade “Weeping” ziek klinkt. Christophersons “Valley Of The Shadow Of Death” is een en al ruis en schijnbaar willekeurige conversaties van een stel jongeren, terwijl Carters stuk “AB/7A” een voorloper is van de volgende plaat en de analoge synthgolven die zouden volgen. Hoogtepunt (alles is relatief) is “Hamburger Lady”, over een verminkt brandslachtoffer, vermoedelijk het meest misselijkmakende stuk uit de discografie.

20 Jazz Funk Greats (1979)

Een stuk toegankelijker dan zijn voorganger, maar verre van de commerciële toegeving, ook al lijkt het titelnummer dat de plaat opent de deur wijd open te zetten naar atmosferische elektropop (die de dag van vandaag zo op een in elkaar geknutselde hiphopplaat zou kunnen belanden). Er wordt in verschillende mate gespeeld met kitschelementen in “Still Walking”, “Convincing People” (tot die stemmen opduiken) en “Hot On The Heels Of Love”, dat aanvankelijk vooral de komst van New Order lijkt aan te kondigen. Het is bovendien ook een van de weinige keren dat Throbbing Gristle zich laat inspireren door een al bestaand, populair genre (disco), maar dat toch weet te perverteren.

Naast die relatief verteerbare elektro zoekt de band ook meer dromerig terrein op met “Beachy Head” en “Tanith”, en krijgt “Walkabout” een sound die eigenlijk vintage Kraftwerk is. Bijna leek Throbbing Gristle achterop te lopen. Hoogtepunt is hier ongetwijfeld het klassieke “Persuasion”, dat voortploetert als een zieke mars, met multi-tracked vocals en allerhande achtergrondgekrijs dat weinig goeds belooft. Daarmee is het de tegenhanger van de legendarische hoes, die je aanvankelijk zo in de platenbakken verwacht tegen te komen naast Abba en Neil Diamond, maar zo vals is dat het creepy wordt. De onheilspellende blik op P-Orridge’s gezicht spreekt boekdelen.

Heathen Earth (1980)

Registratie van een concert dat de band begin 1980 speelde voor een handvol uitgenodigden. Het mist de confronterende chaos van de stukken op Second Annual Report, maar de ervaring begint duidelijk ook op te brengen. Er wordt meer gedoseerd en geluisterd, minder heil gezocht bij noise, en stukken als “The Old Man Smiled” lijken minder dan ooit toe te geven aan de brijdriften. Er wordt wel wat geflirt met de kitschgeluiden in “The World Is A War Film” en “Something Came Over Me” en performance art in “Stil Talking”, maar hoogtepunt is het boertig stampende “Don’t Do As You’re Told, Do As You Think”, dat volgestouwd is met echoënde kornetpartijen. Bovenal laat Heathen Earth horen dat de leden niet enkel ambitieuze kunstenaars waren, maar intussen ook goede muzikanten met oor voor meer genuanceerde texturen.

Greatest Hits (1981)

Het had de hoes van een loungeplaat kunnen zijn. Tot je dat kleine zinnetje Entertainment Through Pain erbij ziet staan. Ondanks het feit dat de compilatie van start gaat met “Hamburger Lady” en een achterwaartse versie van het al even ziekmakende “Slug Bait” bevat, is dit vermoedelijk de meest toegankelijke van deze vijf heruitgaven. Het bevat niks uit de debuutplaat, maar wel de essentiële singles “United”, Subhuman” en “Adrenalin”, drie albumtracks uit D.o.A., waaronder Carters poppy “AB/7A”, en vier stukken uit 20 Jazz Funk Greats. De opvallende coherentie bewijst niet enkel de idiosyncratische positie van de band, maar benadrukt ook de homogeniteit van hun oeuvre. Fantastische bonus zijn de hilarische foto’s, die haast iets hebben van onverwachte vakantiekiekjes.

CODA: in 2004 werd de band terug bij elkaar geroepen voor een album (TG Now) en een concertreeks. Iets later werd een 7-dvd-box uitgegeven en presenteerde de band dertig jaar na zijn debuut een nieuwe versie daarvan. De groep ging echter opnieuw uit elkaar na het onverwachte overlijden van Christopherson in november 2010. Het verhaal van Throbbing Gristle zit erop, maar wie de band nog moet/wil ontdekken, die heeft nu volop de gelegenheid: enkele boeken en deze vijf releases zijn beschikbaar in al hun weerzinwekkende glorie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een + veertien =