PUKKELPOP 2012 :: Main Stage, vrijdag 17 augustus

Pukkelpop 2012, Main Stage, vrijdag. Een zenuwachtige (mvs) drentelt er al rond 13 u. ongedurig rond. “Gaan ze daar echt staan? Zal het?” “Ja, Van Steenkiste, ja, straks spelen daar The Stone Roses. En da’s nog negen uur wachten. Ga maar elders wat kijken nu. Laat de grote mensen eerst maar werken.”

De verrukkelijke vijftien van Pukkelpop:
Wie meer Pukkelverslag wil, klikt voor de langere verslagen van de vijftien beste concerten hieronder.

Bloedrood onder een nu al bloedhete zon: Blood Red Shoes staat op het eerste gezicht wat wrang geprogrammeerd, zo vroeg op het hoofdpodium. Dit is een tentband, zou je denken, maar niets is minder waar: Laura-Mary Carter en Steven Ansell spelen wederom een furieuze set die aanvoelt als een geweldig pak slaag. Aanvankelijk blauwe ogen en een gekloven lip tijdens “It’s Getting Boring By The Sea” en “Don’t Ask”, aan het einde lig je met schop in de kloten “Je Me Perds” spartelend op de grond. De band staat er zelf van te kijken: tijdens “Cold” ontploffen de voorste rijen voor het eerst, vanaf “Light It Up” (de eerste echte slag onder de gordel) neemt het pogoën (dát had een achteraf kreunende (pn) al jaren niet meer gedaan) en crowdsurfen een aanvang. Toch even neuten? Welaan dan: toch benieuwd welke richting het uit moet met dit duo. De veel meer gelaagde nieuwe plaat botst met de riffs van de eerste twee. Ze gaan keuzes moeten maken, anders dreigt het glazen plafond. Maar voor nu: een feestje in het kwadraat.

Lap, drie jaar later mag Maxïmo Park opnieuw op een heet middaguur de strijd aangaan met een onder de loden zon puffend Pukkelpubliek. Het gaat hen beter af dan in 2009: deze keer heeft de band energie en fut genoeg om zich furieus in een set te smijten die het beste uit vier albums verenigt: van “Girls Who Play Guitars” over “Graffiti” tot een heerlijk scheurend “Our Velocity”. Wat helaas wel opvalt: het zijn nog altijd de prijsbeesten uit debuutalbum Apply Some Pressure (die titelsong die de boel finaal doet ontploffen!) en opvolger Our Earthly Pleasures (een zinderend “Books From Boxes”) die nodig zijn om te overtuigen. Zonde dan ook dat met “Wolf Among Men” en “Until The Earth Would Open” de twee prijsbeesten van nieuw album The National Health werden thuisgelaten. Desondanks geeft de band alles. Zanger Paul Smith verkent werkelijk elke hoek van het podium, terwijl Lukas Wooler op de achtergrond aan zijn synths een geheel eigen show opvoert. Geen foutloos optreden, maar wel eentje om respect voor te hebben: ze moeten gezweet hebben in die klassieke zwarte rockoutfits.

Het is al lang geen geheim meer dat (lt) een sucker is voor vinnige indiepop, dus in theorie is Two Door Cinema Club right up her alley. Helaas: de set van de Noord-Ierse jonkies kabbelt net iets te veel om langer dan een paar minuten te boeien, en het helpt ook niet dat ongeveer élk nummer een mindere versie van hitje “Something Good Can Work” blijkt te zijn. Zelden zo veel snel wegstervend herkenningsapplaus bij het verkeerde nummer gehoord, dat dan weer wel.

Je zou Eagles of Death Metal gemakkelijk kunnen mispakken voor 4 typische hicks , zoals ze de Main Stage betreden op deze bloedhete vrijdagnamiddag. Zanger Jesse Hughes kenmerkt zich door een motherfucker van een rode snor, een marcelleke voorzien van de stars and stripes en een vet zuiders accent. Al snel wordt duidelijk dat deze vriendjes van Queens of the Stone Age maar één doel voor ogen hebben: steek de draak met moeder Amerika. Josh Homme zelf was medeoprichter van dit no-nonsense rockviertal, en zanger Hughes houdt eraan dezelfde vette gitaarriffs, dezelfde tweeminutensongs en godbetert dezelfde gitaar (Maton, voor de kenners) te hanteren. Feedback wordt verheven tot een kunst op zich in de verzengende hitte van de weide, en tussen het oorverdovende gitaargeweld voert Hughes op hoogst elegante wijze een conversatie met het publiek: “How all you cannibalistic motherfuckers doin’ out there?”. Luid, vet en fun.

De naam Keane op de Pukkelpop-affiche zal door velen monkelend of meesmuilend aangetroffen zijn, maar dat is onterecht. Drie jaar geleden bewezen ze op T/W Classic een festivalpubliek te kunnen inpakken, en dat doet knuffelbeer in bijberoep Tom Chaplin (scherper dan ooit) wederom met verve. Dat het onlangs verschenen Strangeland een wat geforceerde greep is naar de glorierijke tijden van het debuut Hopes And Fears weerhoudt Keane er niet van weer een greatest hits over de weide uit te strooien zoals bruidsmeisjes rozenblaadjes. En het pakt weer: vijftig minuten lang mondt de set uit in een melodiefestijn, waarbij de feelgoodfactor in het rood gaat zoals tijdens geen enkel ander concert deze editie. Was troost een popgroep, dan zou ze klinken als Keane op dit uur.

“De Vleermuis-Florence!” sms’t (mvs) halverwege de set van Lykke Li naar (pn), die zich vergaapt aan een sterk stuk donker, bijwijlen bevreemdend theater met alle bandleden in het zwart en zwarte sluiers als decoratie. De zon kruipt alvast een beetje verder weg, en dat komt Li’s set niet toevallig compleet ten goede. De setting is perfect. Haar tweede plaat Wounded Rhymes is zowat anderhalf jaar na de release duidelijk meer dan een blijvertje, en ook live blijkt de metamorfose van Li — van naïef prinsesje tot donkere pophogepriesteres — voltrokken. Zelfs het gefluisterde “A Little Bit” is van een groene Jonagold in een giftige rode appel veranderd. Een triomftocht wordt ingezet met “Rich Kid Blues”, de Triggerfinger-cover “I Follow Rivers” (of was het omgekeerd?) en het fantastisch aanstekelijke, door percussie voortdenderende “Get Some”, die beide de weide stevig aan het dansen krijgen. Vreemde, eigenzinnige set dus van Lykke Li, maar ze bevestigt hiermee een van de spannendste popmeisjes van deze generatie te zijn.

Acht jaar geleden stonden we met een tot bal geknede maag op Werchteruit te kijken naar die langverwachte terugkeer van Pixies. We herkennen dat weeë gevoel vandaag dus maar al te goed. Zullen ze immers niet net voor het optreden gesplit zijn? Zal Ian Brown voor één keer op de toonladder zingen? Gaat Reni ermee akkoord dat “I Am The Resurrection” het bisnummer wordt? Gelukkig wel: The Stone Roses staan er, in meerdere betekenissen van het woord. Van de majestatische opener “I Wanna Be Adored” tot de eindeloze funkjam “Fools Gold” en een heerlijk “Waterfall” zit het goed. Natuurlijk volgt het traditionele orgelpunt met het epische “I Am The Resurrection”, een titel die bij deze third coming niet meer dan gepast is. Wat zou het dat het niet de grote massa was die voor het hoofdpodium stond — zo’n dingen zijn toch nooit aangenaam — hier stond levende geschiedenis zichzelf te bewijzen, zoals de onhandige knuffels van de bandleden achteraf bewezen. Geen evidente headliner in dit België waar ze nooit de status van halfgoden bereikten, maar wel een verdomd terechte. Hulde aan de programmatoren die deze groep gaf waar hij recht op had.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien + 19 =