PUKKELPOP 2012 :: Main Stage, zaterdag 18 augustus

Wie dacht er dat het na vrijdag niet warmer kon? En toen kwam zaterdag, en dankten wij Chokri op onze blote knieën dat hij de Main Stage zó plaatste dat niet wij, het plebs, maar wel de aantredende artiesten de verschroeiende zonneschijn vol op hun bakkes kregen. Tja, je moet er iets voor over hebben.

De verrukkelijke vijftien van Pukkelpop:

Wie meer Pukkelverslag wil, klikt voor de langere verslagen van de vijftien beste concerten hieronder.

Op 15 oktober komt Rats, het nieuwe album van Balthazar uit, ideaal om dat bij het begin van de derde festivaldag voor de Pukkelpopweide te testen. Het is een mooie geste om de jonge Kortrijkzanen het grote podium te bieden, en die kans nemen ze met beide handen aan. Met “Blues For Rosann” beginnen ze met bekende en goedgekeurde tonen, terwijl het publiek langzaam de weide betreedt. Twee nieuwe songs krijgen onze aandacht, waarbij vooral “Oldest Of Sisters” in de smaak valt door de leuke samenzang van dit bonte gezelschap. Een knappe versie van publiekslieveling “Fifteen Floors” zorgt voor het eerste meezingmoment van de dag, gevolgd door een nieuwe, knappe ballad, “Sinking Ship”. Het hoogtepunt zit zoals vaak in de staart, wanneer “Blood Like Wine” langzaam a capella uitdooft en het haar op vele bestofte armen de hoogte injaagt.

The Joy Formidable is een naar Londen verhuisd trio uit Wales dat best leuke indiepop maakt en wat aan Metric doet denken. Daar zit de expressieve frontvrouw Ritzy Bryan voor iets tussen, voor de gelegenheid in een zwart kleedje met donkere netkousen. Al van bij het eerste nummer, “The Greatest Light Is The Greatest Shade”, valt enkel vast te stellen dat het voor de band nog te vroeg of al te warm is om strak genoeg over te komen. Vooral de eerste helft van de set pakt uit met gezapigheid en toont weinig karakter. Een positieve ommekeer komt er dan toch wanneer het drietal “Austere” loslaat, waarna The Joy Formidable in een tweetal songs nog bewijst waarom het hier mocht staan. Spijtig genoeg te weinig om van een spannend optreden te kunnen spreken.

En dat het dus warm is en we dan niet zo immens veel kunnen verdragen. Zelfs geen The Cribs, die op de Main Stage iets te vals en te luid een kruising tussen shoegaze en britpoppunk de wei in zwieren. Nee, geef ons dan maar The Shins, dat is big business tegenwoordig. Een groot label brengt grote verwachtingen met zich mee, en een dikke radiohit een Main Stageplek in de blakende zon. Of het dus ook een beetje angstzweet is dat op het voorhoofd parelt van James Mercer is niet duidelijk, maar het is zwoegen. Om de grote ruimte voor het podium te vullen, blaast de groep zijn nummers op tot potige worstelaars, maar dat — elke tienermeid kan het u vertellen — ontneemt hen ook alle charme. Opener “Caring Is Creepy” probeert nog wel, maar “Australia” wordt er zo uitgeramd dat de machtige huppelmelodie een klein beetje de vernieling in sukkelt. Ook “Simple Song”, die hit van daarnet, en “Phantom Limb” met zijn weidse “ooh-aah-ooh”‘s zijn niet zo sterk als ze normaal gezien in de Marquee zijn.

Dan barst de groep echter plots uit in een eveneens krachtig, maar trefzeker “So Says I” en een joyeus “Kissing The Lipless”. Even lijkt het de goeie kant op te gaan, maar dan duikt Mercer iets te hard in zijn wat matige nieuwe plaat Port Of Morrow, waarvan “The Rifle’s Spiral” en de titelsong niet weten te overtuigen: weinig sterke melodieën, geen memorabele songs. “I’m going to take an icebath after this” , zucht Mercer. Nog één keer wordt er gebeukt in “Sleeping Lessons”, maar het verdict is dan al lang duidelijk: The Shins – hoofdpodium in de zon: 0-1.

Na een energieke passage van The Hives is het op de Main Stage-wei ondertussen over de koppen lopen, en tussen de zweterige lijven wurmen. Iedereen staat klaar voor reverend Dave Grohl, en wie beter om zijn acolieten op te warmen dan The Black Keys. Dan Auerbach (gitaar en zang) en Patrick Carney (drums) rommelden jarenlang in de marge als aardige garagegroep, maar deden dat na verloop van tijd zo goed dat het grote succes hen niet langer kon ontwijken. Met het puike El Camino kwam in 2011 de onvermijdelijke frontale botsing, en sindsdien is het duo hondspopulair. U brulde dus genoeglijk mee met “Gold On The Ceiling”, hobbelde uitbundig “ooh-oh-oh-ooh”-end doorheen “Lonely Boy”, en u had gelijk: bij momenten aangevuld met een bassist en toetsenist/gitarist, serveerde de groep heerlijk meebrulbaar snarengeweld dat er bij zonsondergang heerlijk in ging.

Foo Fighters openen met veel gegil (we moeten even denken aan de manier waarop Kurt Cobain From The Muddy Banks Of The Whiskah op gang schreeuwde) en een scheurend “White Limo”. Complexloos wordt verder geramd, nummer in nummer uit, tot Grohl het tijd vindt om zijn recente Bruce Springsteen-complex te botvieren. “We don’t do the one-hour shows! We don’t do the two-hour shows!” bespeelt hij het publiek als een manische predikant, vooraleer hij zich in een volgend rondje hits smijt. Het is waar Pukkelpop drie dagen lang op wachtte; de culminatie van een jaar rouw dat nu wordt getransformeerd in een feestje. Natuurlijk is het bij “These Days” dat het drama wordt opgerakeld, maar het is een massaal meegebruld “Everlong” dat magie weet te creëren. Waarna het tijd is voor een groots vuurwerk om over te nemen en Pukkelpop richting de sterren te knallen.

Waarmee Pukkelpop een moeilijk jaar kan afsluiten. “Pukkelpop 2.0” moeten we officieel zeggen, maar op een gebrek aan de vertrouwde bomen en een volkomen misplaatste Castello na, leek die verdomd veel op versie 1. Dat is goed zo, er was niets mis met het origineel, en ook over de affiche dit jaar geen klachten. Het was moedig om naast Foo Fighters voor niet-evidente, maar des te meer terechte headliners te kiezen. De gok werkte; concerten als die van Björk of The Stone Roses maakten deze editie minstens even memorabel, als de indrukwekkende minuut stilte.

Waar het wel beter kan dan? Het feit dat de waterkraantjes pas op de laatste dag drinkbaar werden, kan gerust “rijkelijk laat” genoemd worden, en ook het stuitend gebrek aan vuilbakken viel op. Zelden een grasgroen veld sneller een stort zien worden. Als het zelfs Dour lukt om elke twintig meter een “ecozone” te organiseren, dan Pukkelpop zeker. Maar laat dat een randbemerking zijn, niets meer dan een werkpunt om op de eerstkomende evaluatievergadering op tafel te smijten. Pukkelpop versie 2012 was de editie die nodig was om alle ellende te doen vergeten, en kreeg als toetje zinderend weer toebedeeld. Het was mooi dus. Laat dat vooral de essentie zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 − zes =