Buildings :: Melt Cry Sleep

Het trio Buildings komt uit Minneapolis, en dat is niet alleen de thuisbasis van The Jayhawks en ‘That Skinny Motherfucker With The High Voice’, zoals Yo La Tengo’s Dump hem ooit noemde, maar ook een paar iconen van de gitaarrock. Willen of niet, het is een bagage die je met je meesleept, zeker als je zelf ook kiest voor een parcours van gitaarkabaal. Aan overtuiging ontbreekt het Buildings niet, maar of dat zal volstaan is een andere zaak.

Hüsker Dü, The Replacements, Babes In Toyland. Ooit waren ze elk op hun manier bepalend voor wat er rond hen gebeurde of legden ze spelregels vast die nu vaak nog gelden. Nu ja, Buildings sluit niet helemaal aan bij die bands, maar eerder de noiserock die in de jaren tachtig en negentig te vinden was op labels als Touch & Go en Amphetamine Reptile, met bands als The Jesus Lizard, Killdozer, Cop Shoot Cop en Shellac. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de vinylversie van Melt Cry Sleep gemastered werd door Bob Weston, bassist bij die laatste band.

Buildings laat er geen gras over groeien en vanaf “Rainboat” gaat het trio, geholpen door een bijzonder potige sound die hen nog een pak agressiever doet klinken dan bovenvermelde bands, met een haast hysterische overgave aan het werk. Het is de aanpak van de vuil pompende turbobas (Ryan Harding), gortdroog bonkende drums (Travis Kuhlman), de zwaar overstuurde gitaarpartijen die soms overslaan in iel kervende, maar daarom niet minder gewelddadige uitbarstingen (Brian Lake), en schreeuwerige verhalen over allerlei onfrisse toestanden, al is er eigenlijk geen bal te begrijpen van Lake’s manische geraas.

Grijp de luisteraar direct bij de lurven, moeten ze gedacht hebben, want ook “Born On A Bomb”, dat nu en dan zelfs doet denken aan de misantropische beukrock van Unsane, en “Invocation” mikken resoluut op primaire impulsen. Songs die onvriendelijk, chagrijnig en dreigend klinken, en weinig goeds beloven. Er wordt hier en daar wel een beetje aan gedacht om de plaat van de nodige dynamiek te voorzien — “Noxema Gurl” neemt z’n tijd met een lange aanloop (waardoor de explosie twee keer zo hard aankomt) en “Strange Sleep” lijkt even iets boeiends te gaan doen met surfriedels –, maar veel speelruimte is er eigenlijk niet.

Het is meteen ook de grootste troef én de achilleshiel van Buildings: voor de liefhebbers van dit giftige spul vormen deze tien songs een homogene beginselverklaring die de vloer aanveegt met het legertje zogezegd schuimbekkende rockbands. Wie echter snel z’n aandacht verliest of koppijn krijgt van het voortdurende gehamer, die heeft ook een punt, want Melt Cry Sleep kan net zo goed beschouwd worden als een monotoon blok dat eenendertig minuten dendert zonder al te veel variatie en ademruimte.

We nemen voorlopig positie in tussen die standpunten: het had allemaal wat diverser gemogen (waarschijnlijk ontbreekt het de band gewoonweg aan een paar knallers van songs die zouden opvallen) en vooral Lake zou wat afwisseling in z’n geroep en getier mogen stoppen, maar anderzijds heb je ook van die momenten — zoals “Night Cop”, dat Buildings doet klinken als het evil broertje van Wire, of “Crystal City”, het opwindend stukje krapuulrock dat de plaat afsluit — die te goed zijn om ze geen tweede kans te geven. En er is natuurlijk nog die hoes. Het voordeel van de twijfel dus, met een definitief oordeel op 9 september…

… want dan speelt de band in Magasin 4 (Brussel). De twee albums kunnen intussen beluisterd worden op de Bandcamp-pagina.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien + 4 =