Jessica Lurie Ensemble :: Megaphone Heart

Als jazz en pop samengebracht worden, dan vindt u ons doorgaans niet terug bij de halsreikende enthousiastelingen op de eerste rij. Al te vaak vervalt het immers tot een potje stroperige muzak die al te zelfbewuste meerwaardezoekers net dat likje cultureel vernis bezorgt om uit de kast te komen met hun aarzelende liefde voor de pop. Dat het echter ook kan leiden tot erg knappe resultaten die daadwerkelijk het beste van twee werelden bij elkaar brengen, wordt opnieuw bewezen door Jessica Lurie.

Sinds de oprichting van haar ensemble, zo’n decennium geleden, heeft de New Yorkse artieste er al een zestal platen op zitten, waarop ze haar werkwijze steeds wist te verfijnen met een resem kleppers, die doorgaans uit de avant-jazz komen waar ze zelf ook deel van uitmaakt. Op deze plaat bestaat die band, net als op Shop Of Wild Dreams (2009), uit gitarist/banjospeler Brandon Seabrook (hier in een iets minder extravagante rol dan bij z’n eigen Seabrook Power Plant), pianist Erik Deutsch en bassist Todd Sickafoose en drummer Allison Miller, beiden bekend van bij folkicoon Ani DiFranco en even vaak buiten als binnen een jazzcontext te horen.

Die verwantschap met de wereld van de (folk)rock en meer exotische genres spat dan ook van deze veelkleurige plaat af, waarvan de helft bestaat uit instrumentale nummers en de andere helft zang bevat van Lurie zelf, die het er zeer goed vanaf brengt. Doet ze in “A Million Pieces All In One”, mede door het theatraal stampende arrangement, soms wat denken aan Amanda Palmer, dan denk je even later aan Joan Wasser, Nathalie Merchant of Aimee Mann, stuk voor stuk artiesten die zelf ook de kantjes eraf lopen binnen hun respectievelijke genres en meer dan voldoende identiteit hebben om op te vallen in een circuit dat niet bepaald kampt met te weinig stemmen.

Maar hier is dus meer gaande dan op een gemiddeld singer-songwriteralbum. Veel meer. De combinatie van Seabrooks banjo (net als op Eivind Opsviks Overseas IV een erg orginele toevoeging) en Luries uitstekende dwarsfluit- en saxwerk (op alt, tenor en bariton!) zorgt voor een lekker vleugje excentriciteit, terwijl Lurie door haar talent om jazzvreemde invloeden in haar muziek te verwerken steeds nieuwe invalshoeken vindt. Zo gaat “Bells” meteen van start met een klagerige Klezmergroove en gaat “Der Nister” ook die toer op, maar dan met een hoekiger inslag, alsof The Lounge Lizards zich ermee moeien. “Boot Heels” trekt dan weer de Balkan in.

Hier en daar bewandelt Lurie wat conventioneler terrein, met materiaal dat nauwer aansluit bij het spul dat je verwacht van een performer uit die stad en scène. Het spaarzaam ingekleurde “Same Moon” valt bijvoorbeeld best te omschrijven als een combinatie van een koortsdroom en een licht euforische ballade. Dat wordt dan weer omringd door het bluesy popnummer “Maps” en het bijzonder mooie titelnummer, dat bij tweede beluistering al klinkt als een tijdloze klassieker. Lurie doet dan ook erg haar best om dit niet te laten uitgroeien tot een one woman show en laat de inkleuring van de songs vaak aan haar band over of, zoals in “Zasto”, aan gastcelliste Marika Hughes.

Megaphone Heart sleept net iets te lang aan om de aandacht, die ze moeiteloos grijpt met de eerste albumhelft, echt vast te houden tot het einde. Misschien had dit kunnen voorkomen worden door nog iets meer stekels te voorzien in de songs, die doorgaans zes à zeven minuten duren, maar op z’n best is dit een zeer geslaagde en bedwelmende combinatie van de werelden van jazz, pop en singer-songwriter, die nu eens sensueel en filmisch klinkt, en dan weer bezwerend en voorzichtig funky.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 + vijftien =