Gent Jazz: Combo 42 ft. Stefano Di Battista + Fabrice Alleman New QuarTeT + Dave Douglas & Joe Lovano Quintet + Wayne Shorter Quartet :: 7 juli 2012, Bijlokesite

Kreeg Jazz Middelheim een tweetal jaar geleden nog een Coltrane-dag, dan viel die eer nu te beurt aan levende legende Wayne Shorter, die in de jaren zestig wel eens werd vergeleken met Coltrane, maar intussen kan terugblikken op een goedgevulde carrière van meer dan een halve eeuw die onmogelijk vast te pinnen is op een eenduidige stijl of stroming. De komst van zijn kwartet was bij voorbaat al een hoogtepunt, maar dat betekende niet dat de aanloop naar het concert een slappe formaliteit was. Integendeel.

Na het geslaagde project van Dave Douglas met de studenten van de Antwerpse Artesis Hogeschool op Jazz Middelheim 2011, werd dat ook nog eens overgedaan met volk van de HoGent als Combo 42 ft. Stefano Di Battista. De coach, die met z’n vrolijk drietalige getater volledig tegemoet komt aan het clichébeeld van de enthousiast gesticulerende Italiaan, was de gedroomde leider voor een sextet dat met wat podiumvrees tevoorschijn kwam, maar al snel z’n draai vond. Di Battista had speciaal voor deze dag een programma samengesteld met uitvoeringen van Shortercomposities, die de band zich goed eigen gemaakt had.

Openen gebeurde meteen met “Footprints”, dat misschien wel dé sleutelcompositie werd van het Miles Davis Quintet in de late jaren zestig. In handen van Di Battista en z’n volgelingen werd het stuk wat lichtvoetiger en minder dramatisch, maar het werd knap ingevuld, terwijl de coach een imponerend staaltje liet horen op z’n sopraansax, waarop hij meer dan eens aan het expressieve geluid van Sydnet Bechet deed denken. Na die opener werd vooral gegrasduind in Shorters Blue Note-periode, met een soepel vloeiend “Black Nile”, een interpretatie van klassieker “Infant Eyes”, waarin een hoofdrol weggelegd was voor zangeres Annelies Emmerechts en de met funkritmes opgeluisterde “Mahjong”.

De jongeren hadden het soms wat moeilijk om uit hun zelfopgelegde dwangbuis te breken, maar dat er hard gewerkt was, dat was duidelijk: gaandeweg kregen we een zelfverzekerd ensemble te zien dat de energie van z’n leider overnam en samen met hem door diens carnavalachtige “Coco” trippelde met een aanstekelijk enthousiasme.

De link met Shorter lijkt in het geval van de Waalse rietblazer Fabrice Alleman misschien wat vager, maar hij baande zich ook al door dat oeuvre met bassist Reggie Washington. Met zijn New Quartet werd er geen werk gespeeld van de legende, al is Allemans stijl onmiskenbaar beïnvloed door het icoon, met een sound en sfeer die soms leek te verwijzen naar het meest lijzige werk van Weather Report. De leider werd ook nu bijgestaan door Washington, en daarenboven Nathalie Loriers, die dubbelde op piano en Fender Rhodes, en drummer Lionel Beuvens, die eerder al bewees een aardig potje te kunnen grooven, wat hij in de opener ook vanuit de losse pols deed.

Het driedelige “Suite Of The Day” liet horen dat Alleman liefst van al over genremuurtjes hopt, want hij startte met een pastoraal aandoend, meditatief stuk, waarbij hij zowaar begon te zingen, om vervolgens over te springen naar een opgewekter, zomers stuk en uiteindelijk te belanden bij een zweteriger funkstijl, waarvoor Washington de elektrische bas ter hand nam en uitgepakt werd met een paar opvallende tempowissels. “Don’t Say It’s Impossible” breide een vervolg aan het funky verhaal, maar met “Hope For The World” werd het een ballade, die na al het voorgaande wat flets klonk. Afsluiter “J-J” werd aangekondigd als een kruisbestuiving van Keltische muziek en jazz, al werd het vooral dat laatste, en tevens ook een degelijke afsluiter van een prima concert.

Een ding was op voorhand zeker: er zou minstens één geweldig concert te noteren vallen, want als het niet dat van het Wayne Shorter Quartet zou zijn, dan toch dat van Dave Douglas & Joe Lovano Quintet: Sound Prints, want met zo’n kleppers kan het moeilijk fout gaan. Douglas en Lovano kennen elkaar al o.m. van bij het San Francisco jazz Collective, maar werkten ook samen binnen Masada-context (Stolas uit de Book Of Angels-reeks). De twee zijn in alle werelden thuis, van melodieuze oerjazz uit rokerige clubs tot moderne kruisbestuivingen en het experimentele werk. Ze werden dan nog eens vergezeld door onvermoeibaar drumwonder Joey Baron en twee rijzende talenten: pianist Lawrence Fields en bassiste Linda Oh. En ja, het werd de kleine triomf die op voorhand beloofd werd.

Het kwintet bracht dan ook een eclectische melange van stijlen en impulsen, waarbij zowel aangesloten werd bij de avontuurlijke Blue Note-platen van de jaren zestig, gespeeld werd met hectische tempoversnellingen en vervlochten thema’s als bij Masada, soms teruggeschakeld werd naar luie swing en kloeke old school jazz met een hoekje af. Het samenspel van Douglas en Lovano zat van meet af aan goed, de rijke, soms spetterende sound van de trompettist werd mooi aangevuld door de eerder romige stijl van de tenorman, die ook regelmatig overschakelde op sopraansax. De composities kwamen van beide leiders, en dat gebeurde met de nodige knipogen, want Lovano zorgde voor het oorspronkelijke “Sound Prints”, dat Douglas counterde met een samenvatting daarvan, droogweg “Sprints”.

“Full Moon” ging van start met een prachtige bassolo van Oh, die zich liet opmerken als een opmerkelijk soepele, soms hard swingende bassiste, terwijl de hoofdrol in “Power Ranger” voor Joey Baron (wie anders, met zo’n titel?) was, die er een van z’n befaamde solo’s uit de mouwen mocht schudden. Fields viel vooral op door z’n ingetogen stijl, een merkwaardig, maar geslaagd contrast binnen een set die het vooral van bruisende interactie moest hebben. “Ups And Downs” baadde in een lijzige balzaalambiance, met een moeiteloze swing en een zacht wiegende ritmesectie en bereidde de knappe eindspurt voor, waarbij aangesloten werd bij de klassieke hardbop, maar ook structureel interessante dingen gebeurde. En dat alles met zo’n vanzelfsprekend gemak, dat je enkel kon verzuchten dat je hier pure klasse aan het werk zag.

Als de organisatie het daarbij had gehouden, dan hadden we al gesproken van een geslaagde dag, maar dan moest het Wayne Shorter Quartet nog komen. Sinds de oprichting daarvan, zo’n tien jaar geleden, lijkt het wel alsof Shorter z’n creatieve adem eens zo goed weet te gebruiken, al leidde het niet tot veel opnames. Jazz Middelheim was twee jaar geleden echter getuige van een prachtperformance van een kwartet dat met een haast telepathische eensgezindheid en intensiteit een overkoepelende kolosperformance op poten zette. Het was even doorbijten – de associatieve muziek swingt niet in klassieke zin en is meer raadselachtig dan aanstekelijk -, maar eens je mee was, werd je getrakteerd op een onvergelijkbare rondrit door een eindeloos fascinerend universum.

Gent Jazz werd op een vergelijkbare ervaring getrakteerd, met dat verschil dat het deze keer allemaal net iets compacter in elkaar stak. Het duurde opnieuw enkele minuten voor je er een benul van had (of dacht te hebben) van waar Shorter, pianist Danilo Perez, bassist John Patitucci en drummer Jorge Rossy (ingevallen voor Brian Blade) heen wilden, maar was het weer een komen en gaan van ideeën, van sferen en thema’s, waarbij Perez opnieuw fungeerde als aangever die het materiaal ordende, de stukken aan elkaar naaide en ervoor zorgde dat er nooit te veel rek kwam in de performance. Maar ook met Rossy, die de kwalijke eer kreeg om Blade te vervangen, kreeg je een kwartet te zien dat bewoog als een hechte eenheid.

De muziek voer opnieuw een koers tussen impressionistische soundscapes en soms majestueze grandeur (ergens tussen de klassieke kwartetten van Coltrane en David S. Ware), waarbij herhaaldelijk stapsgewijs naar enorme climaxen toegewerkt werd, vol donderende pianostukken, pulserende baslijnen en rollend drumwerk van Rossy. Shorter speelt misschien niet meer zo veel noten als vroeger, maar zowel op tenor- als sopraansax weet hij ze nog steeds te kiezen, vaak aarzelend, maar vaak wel treffend, met nu en dan zelfs een paar gierende uithalen op de sopraansax. Van op een afstand was dit taaie, zelfs cerebrale muziek, zeker omdat het bijna vijftig minuten duurde voor even een adempauze genomen werd, maar die had toch een verrassend directe impact. Het was bij enkele passages ronduit onmogelijk om onbewogen te blijven.

In tegenstelling tot bij een figuur als Mehldau, die in zichzelf opgesloten composities binnenstebuiten keert, kreeg je hier dan ook een echte wisselwerking te zien, waarbij de subtiele signalen en veelzeggende blikken boekdelen spraken. Shorter zien glimlachen naar Perez, Patitucci z’n bas zien bepotelen met uitzinnige overgave en Rossy’s onaflatende contact gadeslaan, het leidde allemaal tot een belevenis die ronduit indrukwekkend was. Middelheim kreeg nog meer, maar de impact was in Gent directer en het spreekt dan ook boekdelen dat er, ondanks de afwezigheid van makkelijk in het gehoor liggen stukken, toch een enorm positieve respons kwam van het publiek. En terecht, want de intussen 78-jarige Shorter (kom nu nog eens zeggen dat veteranen verondersteld worden van te zwijgen en op hun lauweren te rusten) zorgde met z’n drie collega’s voor een van de concerten die de festivalzomer zullen kleuren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

acht − vier =