Mina Tindle + Dan San + High Places + Isbells + Friends + Yacht + Fanfarlo 15 mei 2012, Botanique

Alle zalen vol: dat zijn de beste avonden van Les Nuits Botanique. In theorie dan toch, want afgelopen dinsdag was het muzikaal zoals het weer: hoofdzakelijk kwakkelend met af en toe een fikse opklaring. Het was zoeken naar lichtpunten op een avond die stilistisch zo divers was als een verkleedpartijtje onder blinden.

Voor de zoveelste keer vergeten dat het Brusselse verkeer volstrekt onbetrouwbaar is, sluipen wij het uitverkochte Museum binnen, waar een uitzonderlijk stil publiek met ingehouden adem naar Française Mina Tindle en haar mannen staat te kijken. Het frêle meisje met de sterke stem (we horen een beetje Feist, soms wat Cat Power) voelt zich hier samen met Olivier (op drums en allerhande elektronica) en Guillaume (gitaar) duidelijk als een vis in het water, zo blijkt uit de schijnbaar moeiteloze manier waarop ze de zaal om haar vinger windt.

Single “To Carry Many Small Things” is een klein hoogtepunt, dat met zijn huppelende handclaps de luisteraars voorzichtig aan het dansen zet, maar er valt nog meer moois te ontdekken: de Yann Tiersen-belletjes en het forse drumwerk in “Sister”, de samenzang in het zachtjes aanzwellende “Echo” en het roffelende “Lovely Day” (allemaal van op het pas verschenen Taranta),… Origineel en vernieuwend is het allemaal niet, maar het is zo wondermooi en sympathiek neergezet door Tindle en haar bandleden, dat een mens niet anders kan dan even luisteren en glimlachen om de schattigheid van dit trio.

Hoewel ze zich in de video bij “To Carry Many Small Things” haast diva-achtige allures aanmeet, is de Mina Tindle die we hier te zien krijgen immers eerder een wat terughoudend, maar uiterst charmant poppetje. “J’ai bien pleuré”, stottert ze na het verstilde “Plein Nord” — Tindle brengt het solo op een spaarzaam bespeelde gitaar, waarbij ze wat doet denken aan een Carla Bruni met meer talent. Of dat echt waar is, weten we niet, maar het past wel bij haar songs: hoe lichtvoetig de melodieën ook klinken, er zit altijd weer een tikje tristesse in. De Caetano Velosocover “Os Argonautas” — het enige bisnummer na een stuntelig rondje buigen voor de hele zaal — is dan ook helemaal up her alley, met zijn warme gitaarpartij en weemoedige zang. Schoon, héél schoon.

In de Chapiteau bedient Dan San zich van even aardig franglais, maar muzikaal haalt het hoogstens een “charmant” in ons notaboekje. Met het geluid van de groep — beleefde, sympathieke folk — is niets mis, maar we missen de songs die dit ook gezicht moet geven. Nochtans knikken we goedkeurend bij de vioollijnen van Damien Chierici die ons meer dan eens aan het betreurde Venus deden denken, maar het is helaas pas bij het afsluitende “Irony” dat Dan San ons eens echt bij ons nekvel heeft: er zit kracht in, en de dialoogzang houdt het boeiend. En toch: nét dat tikje te laat om nog veel zoden aan de dijk te zetten.

Ondertussen is het New York boven in de Rotonde. Met High Places vinden we twee Brooklyners op het podium, al is het niet even duidelijk waarom die daar juist staan. Het klinkt wat alsof Portishead zich op dubstep heeft gestort, maar dan zonder er zelf echt in te geloven. Helaas is deze band nog een beetje jong voor dat soort muzikale wanhoopspogingen. Te vergeten voorprogramma dus.

Nauwelijks twee nummers ver in het optreden van Isbells weten we opnieuw hoe mooi we dit live toch altijd weer vinden. Net als op Isbells, klinken de songs op opvolger Stoalin’ op plaat wat zoutloos, maar live is dat verstilde titelnummer een mooie binnenkomer die de kille tent meteen een paar graden warmer maakte. Van de “hitjes” van het veelgeprezen debuut uit 2009, wordt enkel nog “Reunite” opgevist, en de groep slaagt er zelfs in om het wat gezichtsloos te laten passeren. Het is eerder “Elation” met zijn trompet, elektronische percussie — een welkome afwisseling in een hoofdzakelijk akoestisch en ingetogen universum, en zijn “whoohoo”‘s dat de aandacht trekt.

De nieuwe bezetting van de groep levert ondertussen op. Chantal Acda draagt met een arsenaal instrumenten bij tot de textuur van de nummers en zorgt ook voor een mooie tweede stem. Dat is vooral zo in het door zijn loopende gitaartje aan Tùnng schatplichtige “Baskin'”, waarin ze een mooi tegengewicht vormt voor frontman Gaëtan Vandewoudes prevelzang. Hoogtepunt is echter setsluiter “Erase And Detach” dat de groep finaal laat eindigen in een opbouw die niet héél ver van postrockland vandaan ligt. Het gaat hen wonderwel goed af.

De New Yorkers van Friends slagen er in de Rotonde in geen tijd in je het gevoel te geven dat je samen met Beavis en Butt-Head in de zetel hangt, starend naar een van die weirde popvideo’s uit de jaren tachtig. De groep kan bogen op twee puike singles: “I’m His Girl” en “Friend Crush” zijn onweerstaanbaar, en… dat is het dan ook zowat, of je moest de Madonna-achtige dansjes van frontvrouw Samantha Urbani meetellen. Het publiek opvrijen — dat mag zeer letterlijk genomen worden — ligt haar duidelijk, maar draagt helaas niet bij aan het ontstijgen van het gimmickstigma.

In de Orangerie is ondertussen iets heel anders gaande: een DFA-labelnight, met onder meer YACHT op de affiche. Wat ooit begon als een eenmansproject van voormalig punker/performance artist Jona Bechtolt, met de powerpointpresentatie aan het begin van de show en de “Temporary Autonomous Zone” die de band hier vanavond wil creëren als overblijfsels daarvan, groeide ondertussen uit tot een volwaardige band met de van een wel erg rekbaar lijf voorziene Claire L. Evans als onwaarschijnlijke frontvrouw. Naast haar onnavolgbare moves is niet-kunnen-zingen-maar-het-toch-doen immers haar eerste handelsmerk, maar dat leidt vreemd genoeg slechts zelden tot echte fiasco’s.

De declamerende stijl die Evans op platen als See Mystery Lights en Shangri-La hanteert, combineert immers wonderwel met de aan The Rapture verwante dancepunk van een song als “I Walked Alone” — inclusief een stevige portie cowbell. Met de onvervalste volksmennerij van meezinger “Psychic City” (“Ayayayay/Huh/Ayayayay/Uh-oh”, veel simpeler kan een refrein niet worden) zet YACHT de zaal in een paar minuten op zijn kop, en het zal tot het einde van de set duren voor de rust weerkeert. “This song is for dancing!” klinkt het voor “Waste Of Time” wordt ingezet, en Evans voegt alvast de daad bij het woord door het publiek in te duiken om de gemoederen daar nog wat verder te verhitten.

In een uitzinnige cover van Brigitte Fontaines “Le Goudron” mag YACHT aan het einde helemaal loos gaan: het Frans van Evans lijkt nergens naar (al helpen teksten als “Le temps est un bâteau/la terre est un gâteau” ook niet echt), maar met de laptopblieps van Bechtolt als efficiënte ondersteuning, wordt hier een volledig gepimpte versie van het origineel neergezet waarop geen mens zijn heupen, benen en god weet welke andere lichaamsdelen nog in bedwang kan houden. De stevige versie van “Utopia” (met wat flarden “You Can Live Anywhere You Want” erin) die de groep er nog achteraan knalt, bevestigt alleen maar wat al een klein uur duidelijk was: uw feest is niet compleet zonder YACHT als begeleidingsband.

Waarna het laatste woord aan de Chapiteau is. Het is nog wat killer geworden, de zoveelste plensbui valt uit de lucht, maar Fanfarlo speelt met overtuiging: “It’s gonna happen soon”, klinkt het omineus in opener “Replicate”, en de pathosvolle voordracht van frontman Simon Balthazar doet wat aan Win Butler denken, terwijl ook de vertellerscapaciteiten van Bruce Springsteen door het hoofd schieten. Je voelt meteen dat de groep het er live een stuk beter van afbrengt dan op het recent verschenen Rooms Filled With Light, waarvan de klank energie ontbreekt. Die is er vandaag wel, en de songs komen hier tot leven.

Zo danst “Shiny Things” op een aardig discoritme, en ook “Tightrope” is met zijn Cure-achtige gitaartje en aanstekelijk refrein een mooi moment. En toch krijgt Fanfarlo ons niet helemaal mee met zijn rijkelijk versierde indiepop. Op die pieken na, hangt over de set van het Britse vijftal immers een waas van eenvormigheid. Het euvel: geen songs die langer dan vijf seconden na afloop blijven hangen, of zelfs maar doel raken tijdens hun bestaan. Het klinkt allemaal uitstekend, het zit puik in elkaar, maar je bent het zo weer vergeten. En dan helpen geen slimme arrangementen waar trompetten en gigantische tamboerijnen niet van de lucht zijn.

Fanfarlo heeft nochtans alles om ons ooit in te pakken — afsluiter “The Walls Are Coming Down” is met zijn Beirutachtige trompetflarden zelfs een knap orgelpunt — maar toch overheerst een lichte ontevredenheid. Ergens zit er meer in deze groep, maar voorlopig wil het er niet uitkomen. En dan kunnen wij echt niet de volle punten uitdelen. Met een licht onvoldaan gevoel wandelen we opnieuw de regen in: deze avond was zoals de hele Nuits tot nu toe: doorgaans weinig bijzonder.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 5 =