Ty Segall :: Singles 2007 – 2010

Sterren komen en sterren gaan, en in het garagewereldje is dat zeker niet anders. Waar Goner Records eind vorig jaar nog als laatste hommage aan Jay Reatard een onafgewerkte plaat en een paar van zijn lofi tapes op één album bundelde, daar brengt datzelfde label nu met Singles 2007 – 2010 een compilatie van singles van Ty Segall uit, een rijzende ster in het land der rock-‘n-roll.

Ty Segall is een naam waar u maar beter zo vlug mogelijk aan gewoon kunt worden. Binnenkort komen er van hem op het prestigieuze garagelabel In The Red Records namelijk niet één, maar ineens twee nieuwe platen uit. De eerste daarvan valt onder de noemer Ty Segall Band, de tweede is een duet van hem met Mikal Cronin. Beiden heren staan bekend als singer songwriters met een vuil randje en bovendien hadden ze met Epsilons en Party Fowl samen al een paar garagegroepjes. Segall was nog maar zeventien toen hij met Epsilons begon en is net zoals Jay Reatard bekend van heel energieke optredens in kleine clubs. Het verschil met Reatard is echter dat Segall vooral in de glamniche van het rock-‘n-rollwereldje actief is, waardoor de muziek eigenlijk nog het best te vergelijken valt met de collega glamrockers en labelgenoten van Cheap Time.

Wat Segalls twee nieuwe platen zullen brengen, kan uiteraard alleen maar de toekomst uitwijzen, maar het lijkt er nu al op dat er voor Cheap Time heuse concurrentie op komst is. Want zelfs uit het rammelende, nog vrij immature materiaal van Singles 2007 – 2010 blijkt reeds dat Segall een garagerocker is om rekening mee te houden. Het is immers een compilatie met nummers van Segalls energieke soloplaten Lemons en Melted met een hoop nummers waarin hij toont dat hij het helemaal in zich heeft om het perfecte evenwicht tussen rauwe punk en popfähigheit te brengen.

Een goed voorbeeld hiervan is “Where To Go”, want naast het feit dat het nummer kraakt als een bejaarde, heeft het een bijzonder catchy melodie, hoewel het toch bijzonder moeilijk is om iets van de zang te begrijpen. Hetzelfde geldt voor “Skin”, een hyperspeed nummer met een psychedelisch orgeltje, waarin Segall de muzikanten met flarden tekst als “Faster, faster! Way to go!!!” jent om het tempo lekker hoog te houden. De productie mag dan nog overdreven lofi zijn, zelfs achter de muur van lawaai in een chaotisch nummer met een psychedelische finale als “Booksmarts” gaat er een goede melodie schuil.

Het absolute hoogtepunt van Singles 2007 – 2010 moet echter “My Sunshine” zijn, een liedje dat Brian Wilson is vergeten te schrijven. Het is namelijk een heel zonnig nummer, terwijl het toch duidelijk is dat de track heel wat dubbele bodems en scepsis bevat. Daar komt nog bij dat Segall net als Liam Gallager van Oasis heel graag exta lettergrepen toevoegt, waardoor een “Sunshine” bijvoorbeeld eerder een “Sunshi-ine” wordt en een “Put a hole in my head!” een “Put a hole in my hea-a-ad!”, met een hoger smeergehalte tot gevolg.

Dat Singles 2007 – 2010 naast kleppers als “Where To Go”, “Skin” en “My Sunshine” eveneens een hoop demomateriaal bevat, kan het gevoel niet drukken dat Ty Segall de nieuwe Golden Boy van de Noord-Amerikaanse garagerock is. Want zelfs in een met elektro flirtend nummer als “Shoot You In The Head” of in een met metal dwepende track als “Hey Big Mouth” doet Segall vaak denken aan de minder bekende, experimentelere probeersels van Jay Reatard zoals bijvoorbeeld Terror Visions en Destruction Unit. Het waren namelijk geen projecten die Reatards’ cultstatus ondermijnden, maar integendeel de indruk gaven dat hij nog veel meer in zijn mars had.

De grote verdienste van Singles 2007 – 2010 bestaat er dan ook niet in dat het een mooie, afgewerkte plaat zou zijn, maar net dat het een soort van introductie is op wat Ty Segall te bieden heeft en op wat hij kan betekenen voor het Noord-Amerikaanse rock-‘n-roll-wereldje. En dat zijn alleen maar mooie perspectieven van een jonge, gedreven twintiger met heel wat (vuur)pijlen op de boog.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × een =