Misty Fields 2026 :: Een haardvuur op koeriersbestelling

Eén editie had Misty Fields, die gekke kermis achter Eindhoven, nodig om zichzelf tot vaste waarde op onze concertkalender te bombarderen. En dus streek enola ondertussen al voor de vierde keer neer aan de rand van natuurgebied De Groote Peel, alwaar de rust andermaal bruut doorbroken werd.

“Was ’t weer van postpunk?”: we horen het u denken, want u weet hoe die van enola en Misty Fields gaan. En ja hoor, het genre mocht dan niet langer de hoofdbekommernis zijn, er viel op het vlak van dansende gitaren toch wel wat te rapen. En net als vorig jaar met Chest. het geval was, kwam ook dit jaar een van de grootste ontdekkingen uit Frankrijk.

Straatsburg, meer bepaald, waar Pales zijn paaltjes al stevig in de grond geklopt heeft. Net als de landgenoten van Servo of dat Chest. van daarnet, blijkt ook dit een band die de 4/4 als zijn broekzak kent, en de boel strak houdt. Bassist Basile Grienenberger en drummer Sacha Fuhrmann locken als een hecht tweemanschap, gitaristen Antoine Debargue en David Corrado hebben daarboven maar hun furies los te laten. Bij momenten klinkt het zelfs als industrial.

En over ongetemde vrouwen gesproken: wat een zangeres is Célia Souarit tussen hen in! Ze stuitert van de ene kant naar de andere, haalt uit, om later weer te temen. En dat is ook het probleem. Hoe goed Pales ook is in hitsige, opzwepende rock, te vaak haalt de groep er de vaart uit met een atmosferisch tussenstuk dat de aandacht doet verslappen. En toch. Straks zakt Pales opnieuw naar Nederland af voor Left Of The Dial: geef ons dan nog maar een rondje.

Gans zagen we op showcasevlak begin dit jaar Eurosonic al inpakken, Misty Fields steekt het Britse duo volledig in zijn binnenzak. Of moeten we trio zeggen, nu Tommy Lawther daar achteraan op sax staat te blazen? Het is een goeie toevoeging die het motorik doordenderen van de Britten meer reliëf geeft, zodat het nooit echt plat beuken wordt. “Dankjewééél”, gaat Thomas Rhodes, en: “Gaan jullie goed?” Yup, dat Nederlands vocabulaire is na de al mooie pogingen in Groningen alweer uitgebreid.

Het is vet, wat Gans brengt, en zelfs als Lawther een dwarsfluit bovenhaalt, klinkt het bijna als Chemical Brothers. “I Think I Like You” is daarna een eerste hoogtepunt, waarna Rhodes droog vaststelt “We’re cooking”. Klopt. Het drietal – vooruit dan maar – laat “Step-Psychosis” ontsporen in de live dj-mix die “This Project (Dub)” is, en drummer Euan Woodman gaat scanderend crowdsurfen. Wanneer hij opnieuw op het podium belandt, zet de groep alsnog een gewoner nummer in, en met de sissende hi-hat van “Oh George” worden we on our way gestuurd.

Tijd voor Ty Segall, maar daarover straks meer, want eerst moeten we het in dit blokje nog over Bucket hebben, dat na drie dagen de zondagmiddagrust aan stukken scheurde. Van bij opener “Animals” hoor je dat de Ieren hun lessen hebben genomen bij de landgenoten van Naked Lungs, en hun postpunk dus afwisselen met kortaangebonden industrial. Het jakkert voorbij aan een razend tempo, is luider dan nodig – dat krijg je als je jezelf naar voor schuift als “the loudest band in Ireland” – maar minstens even meeslepend. Perfect gespeeld, overigens, die korte riff van “Highway To Hell”, vooraleer dat schijnmanoeuvre alweer in een eigen nummer uitmondt. Lekker? Lekker.

Ja, Het Veld – de tent, niet het gras daarvoor – heeft het deze editie niet onder de markt. Ook vrijdagavond was bij oudgedienden Chalk, die we hier al in 2023 zagen, onder de overkapping minder druk dan ervoor. Wanneer we binnenstappen, snappen we meteen waarom. Het trio speelt ondraaglijk luid, en wanneer Ross Cullen in de microfoon “ha-haaa” brult, doet dat pijn. Hij danst daarbij overigens in zijn bloot bovenlijf rond als Dave Gahan met zijn microfoon; we geven het maar mee.

Chalk was in het verleden nooit helemaal overtuigend, en is dat vandaag nog minder. Je voelt dat de groep in zijn zoektocht naar iets anders ook iets is kwijtgeraakt. Autotune inzetten was bijvoorbeeld geen goed idee, net als de nu-metalballad “Longer” halverwege. En plots moeten we weer aan Martin Gore en Gahan denken. Zou er echt een lijn te trekken zijn van Depeche Mode naar Linkin Park? Geen idee, maar dat Chalk zowel Het Veld als het veld ervoor leeg hebben gespeeld, is een feit.

Freejazzgefriemel

Dan doet Model/Actriz het een avond later in hetzelfde slot beter. “Nice to meet you”, gilt Cole Haden over een doorbeukende industrialbeat, en weg is hij in zijn fishnetovergooier; de barrières op. De stellages in, een nummer later. “We verwachten meer van een Nederlands publiek”, eist hij, en je merkt hoe dit Gilla Band op het springkasteel is; het is geluid uit hetzelfde spookhuis, maar drummer Ruben Radlauer moet wel rechtdoor hameren op elektronisch bevel.

Het is Cole, dat gemene tweelingbroertje van Freddie Mercury, die het verkoopt. Als hij niet meer zichtbaar is – weer maar eens in de massa verdwenen – passeert de muziek iets geruislozer, voel je je murw gebeukt, maar net zo goed is er even later de pompende discobeat en sissende hi-hat van “Crossing Guard”, en ga je toch weer mee. Langzamerhand trekt de groep zijn muziek zo het terrein van de echte dance op, tot ook dat weer in een uitroepteken tegen de muur knalt, en de muzikanten een nieuw nummer inzetten. En zo wordt het op dit platteland eindelijk zaterdagavond; tijd om echt hard te gaan, want dat moet je de boeren niet leren.

Vonden we ook nog in het belendende vakje art-rock: de dramatische kunstzinnigheid van Ellis D. In het dagelijks leven is Ellis Dickson drummer bij Fat Dog, en dat zegt misschien wel iets over dat groepje. Dat het daar nogal uitzinnig aan toe gaat, om te beginnen, want als Dickson van achter zijn kit komt, ontbindt hij pas echt zijn duivels. “Someone take me!” brult hij ergens, en het klinkt even autoritair als Jim Morrisson kon doen.

Reken deze band overigens niet af op zijn frontman: elk van de vijf muzikanten is wat men zou noemen Een Figuur, maar staat met bewonderenswaardig gemak te spelen. De vinnigheid waarmee ze tekeergaan, is overrompelend, aanstekelijk, en helpt hen een eind weg, maar niet genoeg om te verbergen dat hun songs achterblijven. Dat is jammer, want het voelt alsof Dickson niet veel meer nodig heeft dan één goeie single om een pak meer te bereiken.

En dan was er nog Squid, een groep die het concept song al lang achter zich heeft gelaten. Dit vijftal maakt doorjakkerende krautrock die het dealt in gebalde capsules energie die in een lange snuif dienen opgezogen. De funkyste aller Windmillbands is een ronduit ràre band, die doodleuk freejazzgefriemel in een nummer injecteert als bliepende synths. En als er echt een gat te vullen valt, is er altijd nog het fietswiel percussie van trompettist Laurie Nankivell. Mooi ook hoe aan de rand van het podium een hoop andere zaterdagbandjes stonden te kijken; ook die samenhorigheid is Misty Fields.

Lokale maffia

Vier letters, een groot lawaai. Een genre dat de garage al lang ontgroeid is, maar zijn oorsprong hoog in het vaandel draagt. En daarmee is het grote woord van deze Misty Fieldseditie er meteen uit: Fuzz. Dat was waar Misty Fields dit jaar écht om draaide. Ty Segall was op dat vlak de grootste naam, en ontgoochelde niet. Opener “Feel” liet al van bij het begin een flink psychedelisch kantje horen, tegen “Candy Sam” bracht de veelschrijver – zeventien albums and counting – wel heel erg ziedende gitaarrock.

“Thank God For Sinners” swingde, “Finger” zat vol heerlijke sixtieskoortjes. “Running To Nowhere” rockte en rolde als Queens Of The Stone Age. “Girlfriend” donderde als iets van The Stooges. Dit was rock-‘n-roll op grootvaders wijze, net als Fomies, dat zijn fuzz een dag later iets meer rechtdoorzee en eendimensionaal houdt, maar ook wel weer heel erg vet. En dat was goed zo. Wine Lips zou op zondag hetzelfde doen als afsluiter, maar dan met de voet op het gaspedaal. Ze zagen er uit als de onderaannemers van uw lokale maffia, en speelden met dezelfde moordlust. Kudos overigens voor de drummer die als hardest working woman in hun business niet alleen haar vellen aan gort mepte, enkele nummers zong, maar ondertussen ook zorgde dat de smartphone alles goed stond te filmen. Eindigen zou de groep doen met een langgerekte jam op zijn King Gizzards. Hadden we dat ook alweer gehad.

Net ervoor had Alex Edkins zijn fuzz dan weer iets meer ingehouden en meezingbaar gebracht, als had hij Dinosaur Jr. op zijn meest toegankelijk in gedachten. De voormalige frontman van Metz maakte er als Weird Nightmare zo mooie pop met rafels van. Het klonk als rock uit de randjes van de nineties – toevallig onze favoriete plek van dat decennium. “Might See You There” liet veel goeds vermoeden voor nieuwe plaat Hoopla, had een vleugje Hüsker Dü in zijn melodie, “Forever Elsewhere” zocht het dan weer opnieuw bij J Mascis.

Mogen we ondertussen even de tussenstand geven in de competitie “welke band-T-shirts zien we het meest?” Ja, zoals overal is Fontaines D.C. een mooie contender, met zelfs enkele flink oude exemplaren gespot in plaats van het alomtegenwoordige voetbalshirt, en natuurlijk ontbreken hypebands als Angine de Poitrine, Turnstile en Geese niet, maar wat mooi is, is hoe je hier vooral T-shirts ziet van groepen (10.000 Russos! Bodega!) die hier vorige edities speelden.

Een roedel bloedhonden

Dit is De Achterhoek. Neen, ik weet niet of dit De Achterhoek is, dat West-Vlaanderen van Nederland, maar het is wel het platteland. En dus moet er classic rock zijn, in al zijn mogelijke vormen. Renny Conti brengt warme singersongwriterij uit Brooklyn van het soort dat elk jaar vlot zijn weg naar Asten-Heusden vindt. De gitaren ronken op zijn Neil Youngs, de stem hunkert melancholisch. Het is zoals bij alle navolgers van Don Grungeone een mooi geluid, maar Conti heeft helaas niet de songs om in zo’n gevuld veld het grote verschil te maken. En dat hij zijn set na elk nummer weer laat stilvallen helpt niet.

Westerman, het alias van de Brit Will Westerman – waarom ver gaan zoeken als het voor je neus ligt? – doet het dan weer ingetogener. Op het Bos-podium zit hij er helemaal op zijn uppie bij, met maar één pianokruk voor twee instrumenten. Moet hij de boel dus verzeulen als hij van gitaar naar toetsen wil gaan, maar dat maakt niet uit; de man kàn iets. Zeker wanneer hij in “Roads” mooie dingen doet door hoger te gaan zingen, maakt hij indruk.

Het is uiteindelijk toch Cory Hanson die vroeg op Misty Fields de wisselbeker Golden Earring wint. Het regent voor een eerste keer, dus in Het Veld is het tentje vol. Dat zou sowieso gebeurd zijn, want de voorman van Wands brengt zijn americana zo gloedvol als een haardvuur op koeriersbestelling. “Overture” is een boogie met een roedel bloedhonden aan de broek, wordt plots een klassieke ballad, om daarna weer te ontsporen. Zou Cory ADHD hebben? Goh …

Bij de vuile Southern rock van “Housewife” staat hij alweer te soleren op een pianokruk, gitaar in de nek, Palestijns vlagje op de achterkant daarvan. Subtiel. En hop, daar gaat hij even het publiek in, zit hij alweer achter zijn toetsen waar hij een “festival appropriate song” inzet. Dat begin van “Bohemian Rhapsody” gaat er zo lekker in dat hij het met een “fuck it: we do this thing” doorzet naar gitaar. We krijgen Freddie’s opus tot net voor het operastuk, dus mét de meane solo vooraleer hij zijn eigen ballad “Bad Miracles” inzet. En daarmee, zelfs al was niet elk moment memorabel en was het soms te veel gitaargepats en te weinig song, heeft Cory Hanson gewonnen spel.

En grunge, is dat ook al classic rock ondertussen? Of nu metal? Bleech 9:3 heeft immers last van een millenniumbug: de jaren negentig zijn nooit gestopt voor deze band, en dat voelt vooral even belegen als de hanekammen en andere punkkapsels van het trio. Attitude hebben ze te over, muzikaal blijft het huilen met de pet op. Bijna elke song is een klagerige ballad, zo eentje waarvan je met klinische precisie kunt voorspellen hoe en waar hij zal openbarsten, en op bezieling moet je bij frontman Barry Quinlan ook niet rekenen. Hoe deze band aan de Ierse kwaliteitscontrole is ontsnapt, is ons een raadsel.

Beeld:
Line Tuymans

verwant

De kleine lettertjes :: Indian Summer

De kleine lettertjes, ze durven al eens beter te...

recent

Kristin Hersh :: Sugar On Blackstone

Van indieband Throwing Muses over punkgroep 50 Foot Wave...

Westside Cowboy :: It Goes On

Stel je je meest zorgeloze zomer voor, zo eentje...

Carissa’s Wierd :: No One Lives Here Anymore

Bijna 25 jaar na hun laatste plaat brengt Carissa's...

La Biennale Arte di Venezia:: Venetië (Deel II)

Omdat de Biënnale van Venetië een gigantisch evenement is...

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in