Roots & Roses Festival :: 1 mei 2012, Lessines

Metalheads, stoere bikers, bezadigde rootsliefhebbers, rondrennende snotneuzen en coole vetkuiven weten intussen waar ze moeten zijn op 1 mei. Voor het derde jaar op rij opende Roots & Roses de festivalzomer, en dat opnieuw met een affiche die vooral uitpakte met artiesten die, aangestuurd door het Heilige Vuur, vastbesloten waren om de tent in te pakken. Bij de ene lukte dat al beter dan bij de andere, al was ook deze editie goed voor enkele straffe concerten.

Na King Automatic (2010) en Ganashake (2011) mocht het Zwitserse Mama Rosin de traditie van sterke opening acts verder zetten. De combinatie van blues, punk en cajun werd met een soms ziedende kracht de tent in geslingerd, waardoor het voor sommigen een wake up-call van formaat was. De cajun/zydeco-variant is al te vaak afwezig op de rootsfestivals, maar het trio bewees dat het, zeker in deze gespierde vorm, een aanwinst kan zijn. Nu en dan dreigde het heftige gitaarwerk de accordeon volledig buitenspel te zetten, maar er waren ook voldoende momenten waarbij de aan de polka verwante ideeën het voor het zeggen hadden. We hebben nog altijd het gevoel dat dit soort muziek beter gedijt in clubs en op kleine(re) podia, als zijn kletterende charme nog meer volk aan het dansen kan brengen, maar opnieuw: Roots & Roses weet z’n openers te kiezen.

Met Romano Nervoso werd de trots van La Louvière in huis gehaald. Dat is althans wat de zanger ons wilde doen geloven, iets waar hij uiteindelijk niet écht mee zou weg geraken. De heftige punk-‘n-roll met een aardige dosis kitschinvloeden helde nogal sterk over naar de beschimmelde wereld van Turbonegro en consorten, maar zo rond het middaguur wil zo’n ondoordachte energie doorgaans wel werken. Het kwartet pakte uit met een prima cover van “Have Love, Will Travel” (zowat de lakmoesproef voor elke garagerockband), maar had moeite om te blijven boeien met een stijl die intussen bijna kapot gespeeld werd. Helaas zou het zich in de loop van de dag nog een paar keer voordoen.

De Brit Lewis Floyd Henry probeerde ergens een middenweg te zoeken tussen de donkere blues van Björn Berge en de geschifte uitzinnigheid van Bob Log III, nog twee artiesten die zichzelf profileren als one man band. Henry heeft zeker een paar troeven — een wendbare stem waarmee hij zowel kan croonen als de dreigende bastaard uithangen en een ritmische manier van zingen die soms aansluit bij hiphoprhymes –, maar toch wist die set niet altijd te overtuigen. Het gelul over duivels aanbidden was al te onnozel en clichématig, z’n voetgestuurde drums zaten vaak te rommelig te rammelen en het geheel ging eigenlijk behoorlijk snel vervelen. Graag herkansing in een groezelige blueskroeg waar hij dat gelul achterwege kan laten en gewoon van jetje geven.

Er is wat fuss ontstaan rond Ben Caplan & The Casual Smokers, met een voorman die nu al wordt beschouwd als een van de opvolgers van Tom Waits, maar dat is: 1) veel te vroeg en 2) niet helemaal correct. Aan het einde van de set, toen Caplan z’n imposante bulderstrot helemaal opengooide en achter de toetsen ging zitten, had het inderdaad iets van Waits (én Nick Cave, én The Doors), maar je bewijst de man geen eer door hem daartoe te reduceren, want wat hij in zijn (veel te) korte set liet horen maakte een zwierige reis via soulvolle songschrijverskunst à la Joe Henry, door ballads met folkinvloeden en verbasterde blues. Hij had bovendien veel te danken aan een uitstekende backing band, waarin een hoofdrol weggelegd was voor een charmante violiste (“I found her in a ditch in Hungary, begging for money… and the only thing she had was a violin”). Een knappe set van een artiest die het ontdekken waard is.

Bob & Lisa, respectievelijk gitarist en zangeres van het furieuze garagesoulgezelschap The Bellrays, deden het met niet meer dan een akoestische gitaar en een stem, maar dat bleek al snel meer dan voldoende te zijn. Er werd vooral geput uit Rosethorns, maar er passeerden ook wat nieuwe songs (“Please Please Please” was een goeie) die het beste uit blues en soul wisten te verenigen. Vennum bewees dat hij meer dan kan op Black Flag en MC5 geïnspireerde riffs spelen en Kekaula’s razende sirene kwam nu helemaal tot z’n recht. Vernieuwend was het allemaal niet (daarvoor ben je trouwens op het verkeerde festival), maar dit was doordrongen van de puurste soul op de markt en het soort spul waarmee je ons steeds mag lastigvallen. De intimiteit was die van een huiskamerorkest, faut le faire.

En dan was het tijd voor de enige band die de Tent ei zo na deed vollopen, bij de lurven greep en drie kwartier niet meer loste als een hondsdolle pitbull met schuim in de bek. Countrypunkband The Legendary Shack Shakers (foto) staat al jaren garant voor een uitzinnige cocktail van zowat alle subgenres van de roots — van bluegrass en blues tot polka — en die worden bovendien gespeeld met zo’n razende energie dat je van je sokken gepleurd wordt. De band is gewoonweg de rootsvariant van wijlen Zeke of Slayer: de beuk erin en rammen, rammen, rammen tot ze je van het podium trekken. Songs werden naadloos aan elkaar geplakt en zanger J.D. Wilkes (ook een uitstekend harmonicaspeler) was het sluitstuk van een even briesende als theatrale set die het kokende hoogtepunt van de dag had kunnen zijn, ware het niet dat de songs soms wat inwisselbaar waren en het resultaat een ondoordringbare brij werd. Dat is meteen ook wat The Shakers het mindere broertje maakt van Slim Cessna’s Auto Club, die band die de editie van 2010 op z’n naam schreef: daar is er meer variatie, meer melodie, betere songs. Niettemin: een aframmeling van formaat.

De tweede helft van het programma startte op een wel heel vreemde manier. Dan Sartain, al een paar albums lang goed voor Americana waarin blues, country, rockabilly en zelfs latininvloeden een plaats krijgen, stapte het podium op, kondigde vol zelfvertrouwen aan dat die tent van hem was en barstte vervolgens los in een minimarathon van punksongs. Van rootsrock was geen sprake, dit was Ramones-nummers afhaspelen aan Ramones-vaart, inclusief die “1, 2, 3, 4!”. Aanvankelijk leek het nog een vermakelijke practical joke, maar na meer dan een dozijn songs in een kleine vijfentwintig minuten (de band had een uur ter beschikking) werd even abrupt een punt achter de set gezet. Merkwaardig.

En de ene teleurstelling volgde de andere op. Het New Yorkse The Fleshtones wordt vaak over het hoofd gezien in de anthologieën, maar was er ook al bij toen CBGB’s en aanverwanten de hipste keten van de rock-‘n-roll werden. Hun feestelijke garagerock is net als die van The Ramones geïnspireerd door popmuziek uit naïever, optimistischer tijden en de kindse vrolijkheid is ook steeds een constante gebleven. Ook nu passeerden weer al die lullige tics — spelen met stemmetjes, een rondje pompen, het publiek in duiken, voortdurend rond de as draaien –, maar terwijl dat ooit nog vermakelijk was, was het nu vooral geforceerd clownesk en zorgde het ervoor dat de set uitdraaide op een onsamenhangend rommeltje, waarbij zowel eigen als andermans (“Daytripper”, “Comin’ Home, Baby”, etc) eraan moesten geloven. Kortom: een teleurstelling.

Maar dan kwam de verrassing van de dag. We hadden ergens opgevangen dat Barrence Whitfield & The Savages (foto) nog steeds de soulmachine van de jaren tachtig was, een tijd toen hij een van de weinigen was om nog in de rock-‘n-roll en soul van de jaren vijftig en zestig te duiken, maar we bleven wat sceptisch. Tot de band opende met klassieker “Ramblin” Rose” (bekend gemaakt door Nat King Cole en the MC5), zowat dertig seconden nodig had om ons omver te pleuren en een klein uur later pas ophield met een kokende versie van “Have Love, Will Travel” (yep, nog eens). Daartussen: stomende rhythm & blues, naar Little Richard knikkende hyper-roll, een genadeloos beukende versie van Jimmy McCracklins “Georgia Slop” en nog meer prijsbeesten die het beste uit blues, soul en heftige garagerock combineerden. Overrompeld worden is altijd het best als je ’t niet verwacht. Een van een geweldige strot voorziene Barrence Whitfield en zijn Savages brachten exact wat ze beloofden: een wilde, onweerstaanbare soul party. Was het in een club, dan ging het dak er compleet af.

Met The Experimental Tropic Blues Band had de organisatie nog een vlaggenschip van de Waalse rock geprogrammeerd. In 2010 leidde dat al tot een wat gewichtsloze, maar aanstekelijke show vol bravado en stuntwerk en dat was nu eigenlijk niet anders. Het trio met twee gitaristen zat onlangs nog in de studio met Jon Spencer en dat valt er ook live aan te horen: de sound is geworteld in generaties rock, punk en blues en vaak beperkt tot een absoluut minimum aan ideeën. Het probleem was echter dat de pijnpunten van vorige keer ook nu weer duidelijk waren: het stuntwerk ten spijt heeft het trio eigenlijk niet zo heel veel in de aanbieding. Er wordt gespeeld met fijne ideeën, de drummers blijft er halsstarrig op los shufflen en de zangstijlen van de frontmannen zorgen voor wat afwisseling, maar al bij al blijft het een beestje met weinig vlees aan.

Een van de meest geanticipeerde concerten was ongetwijfeld dat van de Belgische blueslegende El Fish, niet zo heel lang geleden herenigd om te gloriedagen van de tweede helft van de jaren negentig te laten herleven. We kregen destijds de kans om de band aan het werk te zien en werden geconfronteerd met een pompende bluesmachine die een zweterige en hyperintense update van de blues in elkaar stak. Een decennium na het einde van dat verhaal staat El Fish er als vijftal en opnieuw onder leiding van zanger/gitarist Filip Casteels en harmonicavirtuoos Steven De Bruyn. Die laatste is er intussen alleen maar beter op geworden: z’n instrumentbeheersing is hors catégorie en ook de hoofdreden waarom de stijl en sound van dit El Fish opgeschoven is in een nog iets experimenteler, exotischer en jazzier richting. Dat klinkt op papier prima — vooruitgang is goed, niet? — maar het vijftal klonk helaas ook een pak beredeneerder en gestileerder. Goed spel, met veel variatie en een ontspannen sfeer, maar het vuur van weleer was een beetje zoek en dat is toch jammer.

Headliner The Jon Spencer Blues Explosion speelde zijn hele set in het halfduister, met enkel verlichting van achter het podium en dat was meteen een indicatie van zijn no nonsense-aanpak. Het trio was gekomen om te rocken en kegelde zijn ontbeende bluespunk dan ook tegen een waanzinnig volume de tent in. Opnieuw viel ook op dat JSBX live een stuk harder en chaotischer klinkt dan de studiogedaante. Songs zijn aaneenschakelingen van riffs, licks en hoekige wendingen, vehikels voor Spencer om zijn uhs en yeahs aan op te hangen. Geen band die z’n eigen naam zo vaak scandeert en geen band die zo’n ketelherrie maakt met de blues. Het werd een razende tocht door een carrière die altijd gestoeld is geweest op style over substance. Dit draaide om attitude, tics en bakken energie. Dat maakt een kwartier indruk, houdt de boel een goed half uur boeiend, maar na meer dan een uur valt het alarmerende gebrek aan songs te veel op. De band zien belanden bij een furieuze uitbarsting als “Bellbottoms” (compleet met gierende theremin) blijft opwindend, maar dan meer in gedachten dan in ’t echt. Barrence – Jon: 2-0.

Roots and Roses 2012 was een wisselvallige, maar boeiende editie. Waren we niet echt mee met op voorhand vastliggende triomfen (El Fish, Jon Spencer, Fleshtones), dan werkte het botte geweld nu eens verlammend in positieve (Legendary Shack Shakers) en dan weer negatieve of minder overtuigende (Dan Sartain, Experimental Tropic Blues Band) zin. De soul en songs van Whitfield en Bob & Lisa kwamen misschien als winnaars uit de strijd, al is Caplan de man van de toekomst. De grote drukte bleef (gelukkig) uit en daardoor blijft Roots & Roses voorlopig een van de gemoedelijkste festivals van ’t land. Voldoende reden om volgend jaar opnieuw op post te zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 1 =