Roots & Roses Festival :: 1 mei 2011, Lessines

Als Slechte Vlamingen willen we nu en dan eens de taalgrens over wippen en geen reden is beter dan het gezellige Roots & Roses, dat ook bij zijn tweede editie aantrekkelijk genoeg is om de festivalzomer voor geopend te verklaren. Met een affiche die het beste van BRBF en Sjock lijkt te willen verenigen is, entertainment verzekerd, ook al wordt vernieuwing veelal opgeofferd op het altaar van de traditie.

De Belgische bluesrevelatie Ganashake mag om 11u al voor een verrassend groot publiek spelen en brengt z’n potige bluesrock met een charmante werklust. Aangevoerd door een snarengeselaar uit de Stevie Ray Vaughn/Walter Trout-school, wordt er weinig tijd verspild aan overbodige franjes. Songs als “Indian Chief” en “Graveyard Shuffle” zijn mokerblues met Palandins-twist van het soort dat wel eens opduikt in Sons Of Anarchy en andere middens waar leer en chroom de plak zwaaien. Amper verrassend en weinig origineel, maar gebracht met panache. Een ideale metgezel voor die eerste pint, kortom.

Deze editie laat ook een resem bands horen die je met wat slechte wil zou kunnen afdoen als niet meer dan gimmicks, maar dan zou je wel voorbijgaan aan de onversneden fun van een bluegrasstrio als The Moonshine Playboys dat zich vergrijpt aan rap (“(You Gotta) Fight For Your Right (To Party)”), punk (“Anarchy In The UK”), disco (“Stayin’ Alive”) en old school spirituals (“Swing Low, Sweet Chariot”). De set was komiek rommelig en het trio werd even bijgestaan door een stel lokale hillbillies die er zo echt uitzagen dat we ons even in Alabama waanden, zelfs met die verknipte versie van “Another Brick In The Wall”. De combinatie van middagzon, bier en “Seven Nation Army” zorgde ervoor dat de band mocht rekenen op een indrukwekkende applauslawine, niet helemaal onterecht.

De toon was meteen ook gezet: Roots & Roses werd een bescheiden triomftocht voor bands die de kaart van het amusement of het Grote Gebaar trokken. Daardoor kreeg de zeskoppige folkband Dan San meteen een zo goed als onmogelijke opdracht. Hun melancholische, Brits aandoende folkmuziek slaagde er ondanks de knappe meerstemmigheid nooit in om het rumoer te overstemmen. Dan liever de bluespunk van eenmansorkest Bob Log III, een freak die Tom Waits tot z’n fans mag rekenen en Delta blues uit de vingerst perst terwijl hij ook drums (of een drumcomputer) bespeelt. ’s Mans fingerpicking doet ei zo na de snaren rood opgloeien, maar toch komt het nooit echt tot die verwachte explosie; daarvoor zat de sound wat ongelijk, klonken z’n synthetische beats wat klungelig en was heel wat van z’n materiaal niet sterk genoeg. Net als bij pakweg Jon Spencer Blues Explosion gaat het bij Bob Log III meer over riffs, ritmes en attitude, en die konden helaas niet de volle 45 minuten boeien, ook al zorgde uitsmijter “I Want Your Shit On My Leg” (met op elk been een op en neer wippende lokale deerne) voor een hilarische finale.

De Noorse bluesman Bjorn Berge — een zwaar door tattoos bedekte kolos van een vent — blijft imposant om te zien, maar nog meer om te horen. Z’n stoere attitude en beruchte rockcovers (ook nu passeerden weer “Give It Away” en “Ace Of Spades”) zijn z’n handelsmerk, maar dan zou je eigenlijk voorbij gaan aan de pure klasse van z’n gitaarspel in meer lyrisch werk. Bovendien lijkt hij minder de behoefte te voelen om uit te pakken met z’n succesnummers en gewoon z’n ding te doen. Z’n spel op de twaalfsnarige akoestische gitaar doet nu en dan denken aan Leo Kottke en John Fahey, terwijl hij door zo’n stem minder te forceren dichter bij Tony Joe White dan een kwaaie holebeer zit. Berge blijft een interessant artiest.

Vervolgens kwamen The Sore Losers (foto) de kleuren van Limburg verdedigen en dat deden ze met verve. Het is niet bepaald de meest uitdagende band van het huidige rocklandschap, maar de spanning tussen de stijl en achtergrond van Cedric Maes en Jan Straetemans — de één een gitaarbeul die elk moment lijkt te gaan exploderen en de ander begenadigd met een prima oor voor catchy songs — is er eentje die werkt en de in de seventies gewortelde testosteronrock lekker strak houdt. Door z’n krop in de keel doet Straetemans’ snik trouwens herhaaldelijk denken aan Jack Oblivian en de band aan The Reigning Sound. Er zijn ergere dingen. Een set die steeds beter werd en met Rock Rally overblijver “Beyond Repair” als hoogtepunt de tent helemaal mee kreeg.

Hayseed Dixie was de professionele versie van The Moonshine Playboys. Hun reputatie (bluegrassversies van hardrockklassiekers) heeft hen intussen voorbijgesneld, maar het blijft desalniettemin bijzonder plezant festivalvoer. Daar zaten voorspelbare keuzes (CCR, Aerosmith, AC/DC, Kiss) bij, maar ook een paar frisse. Zo werd er geopend met een hilarisch versie van Judas Priests “Breaking The Law”, waagde de band zich aan een virtuoze uitvoering van Queens “Bohemian Rhapsody” (we zijn ‘m beu gehoord, maar dit was erg straf) en Mozarts “Eine kleine Nachtmusik”. Verrassen doen ze niet meer en hun humor is aangebrand en wat kinderachtig (al heeft het wel iets om een halve tent “COLDPLAY SUCKS!!” te horen roepen), maar het blijft een loepzuivere guilty pleasure.

Geen idee wat er aan de hand was met The Bellrays, maar zangeres/natuurfenomeen Lisa Kekaula leek behoorlijk pissed-off op het podium te verschijnen en zou die verbeten blik niet meer verliezen. Dat kon echter niet verhinderen dat het garagepunkkwartet de boel nu en dan aardig in de fik stak. Zelfs in festivalmodus rockt de band een aardig eindje weg en de songs werden aan een moordend tempo het publiek in geslingerd. Hier en daar zat er eentje die terugviel op pure soul (“Have A Little Faith”), maar voor de rest is ’t een en al vlamrock. Na drie kwartier worden die songs wat inwisselbaar, maar wie daarom maalt heeft het vermoedelijk niet goed begrepen waar het bij de band om draait: furie vanuit de onderbuik.

Opnieuw wat roots, dan maar? Enkele jaren geleden zagen we Woven Handfrontman David Eugene Edwards voor het eerst solo spelen in het Brugse Concertgebouw, en dat werd een spannende, licht-experimentele set die vooral dreef op atmosfeer en spanning. Van beide geen spoor echter vandaag. Hoewel solo aangekondigd, brengt de man een organist/percussionist mee, en krijgen we een semi-akoestische doorsnede van zijn oeuvre. Het doet meteen de vraag “willen wij deze mens wel solo zien?” opwellen. Zonder de power van zijn groepsleden, kiest Edwards voor het trage werk, dat aan een genadeloos eentonig tempo wordt afgewerkt. Op steeds hetzelfde ritme krijgen we zo monotone versies van klassiekers als “Splinters” en “Poor Mouth” en zelfs het normaal ziedende “Not One Stone” wordt hier vertimmerd tot iets slaapverwekkends. We herinneren ons hoe Edwards op andere concerten bezeten als een manische priester was. Vandaag leek hij een ontgoochelde afvallige die er niets meer van meende. Onzin, dat is het, om zo je sterktes te negeren.

Energie is een klassieke eigenschap en vaak de sleutel tot succes. De meest ongeïnspireerde songs worden vaak gecompenseerd door jeugdig enthousiasme en de wil om de tent op z’n kop te zetten. Maar soms, als gaandeweg duidelijk wordt dat er achter die energie eigenlijk niet zo heel veel schuilt, dan is het ook iets dat na een tijdje gaat irriteren. De Jim Jones Revue doet aan in de sixties gewortelde garagerock die vooruit knalt met de energie van punk en vroege rock-‘n-roll, maar ondanks de performance van zanger Jones en het sympathiek jengelende orgeltje waren we nooit écht mee. Een “veel geblaat, weinig wol” verhaal.

Op een festival waar vasthouden aan duidelijk omlijnde tradities de plak zwaait, is het uiteindelijk bijna een schok om Giant Sand (foto) te zien. Het is wel een rootsband, maar dan eentje die het spel altijd volgens z’n eigen regels gespeeld heeft en dat ook nu deed. Aangevoerd door een verrassend goedgeluimde Howe Gelb, speelde het vijftal een set die haast spontaan geïmproviseerd leek. Die constante dreiging van implosie kenmerkte ook nu weer het gros van hun songs, die schipperen tussen rock, country, experiment en koortsaanvallen. Gelbs conversationele murmelzang zat als vanouds te flirten met de valsheid en het concert kende een merkwaardig slingerend verloop dat steeds intenser werd.

Mooi om te zien hoe de band zwalpte van door gospel beïnvloede blues (“Paradise”), naar de tegen gruizige Crazy Horse-aanschurkende woestijnrock van hun oudere werk en bedwelmende middernachtslyriek. Aanvankelijk zag het er naar uit dat Giant Sand voor slechts een handvol fans zou spelen, maar dat publiek groeide gaandeweg aan en kreeg een fascinerend concert te zien dat een prachtige kers was op deze festivaltaart. Oh ja, als afsluiter was er ook nog Triggerfinger, al wekte die ons niet uit de Giant Sand-roes. Herkansing op de talloze festivals waar ze deze zomer nog aantreden. Roots & Roses ziet ons terug in 2012.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een + 17 =