Roots & Roses Festival :: 2 mei 2010, Lessines

De eerste editie van het veelbelovende Roots & Roses Festival, net over de taalgrens, was er eentje om naar uit te kijken. De organisatoren waren er immers in geslaagd om een diverse line-up samen te stellen met jonge honden en gevestigde waarden, avonturiers en traditionalisten, en dat voor een aanlokkelijke toegangsprijs (15 euro). Onder de voortdurende dreiging van regengordijnen groeide het uit tot een succes, met een mooie opkomst, degelijke organisatie en enkele opmerkelijke concerten.

Meteen al redelijk wat vroege nieuwsgierigen die op tijd uit bed gekropen waren om rond 11u King Automatic aan het werk te zien. Na wat technisch geharrewar komt de eenmansband op gang om vervolgens zijn originele visie op een halve eeuw rock-‘n-rollgeschiedenis uit te voeren. Bij eenmansband denk je meteen aan Bob Log III, maar King Automatic gaat nog wat verder, door te spelen met keyboards, loops, samples, gitaren en percussie. Het leidt tot een kleurrijke set die nooit gaat vervelen en zelfs weggeraakt met een knappe versie van Kraftwerks “The Model”. Het Zwitserse Hell’s Kitchen zet deze veelbelovende start verder met een potje snedige blues die à la Tarbox Ramblers door het verleden raast. Howlin’ Wolf, Chuck E. Weiss en R.L. Burnside, verwerkt in soms verrassend stevige nummers met gespierd gestomp, vunzige knipogen en bakken oerswing.

Scott H. Biram heeft er intussen ook al een paar platen opzitten. Op die werken goot hij Texaanse blues en country in een vette en rauwe punksound, iets dat in de festivaltent minder goed lijkt te lukken. Of het nu te maken heeft met het afmattende tourschema of de al te zompige sound: Biram mist vinnigheid om écht te overtuigen, al voelden we meteen met the real deal te maken te hebben. Volgende keer beter. In de andere tent: de “free blues” van Belgische blueskanonnen Roland, Steven De Bruyn en Tony Gyselinck. Op papier een voltreffer, in werkelijkheid een gemiste kans. Geen mens die zal ontkennen dat de drie hun metier onder de knie hebben, maar wat ze hier lieten horen – vaak halfslachtige en al te vrijblijvende experimenten met en tussen blues, jazz, funk en wat elektro – was op z’n best half interessant en op z’n slechtst platte pap. Een teleurstelling van jewelste.

The Experimental Tropic Blues Band is een Waalse band die in de zuidelijke helft van het land goed boert, en het wordt snel duidelijk waarom. Deze drie laten horen dat die ‘roots’ nogal vrij geïnterpreteerd mocht worden, want wat we te horen kregen was een woest om zich heen schoppende set rock-‘n-roll die het beste verenigde uit de rockabilly, sixties garagerock, seventies punk en een scheut loeiharde blues. Nu eens deed het denken aan The Cramps, The Gun Club en the Jon Spencer Blues Explosion, dan weer aan een trio dolle maniakken. Dat de band het energiepeil hoog wist te houden en kon koppelen aan een sterk entertainmentgehalte maakte het alleen maar beter. De songs mogen dan wel eens van twijfelachtige kwaliteit zijn; de présence en energie wisten dat moeiteloos te compenseren.

Maar dan. We hadden een goed concert van Slim Cessna’s Auto Club zien aankomen, maar wat we daar te zien en te horen kregen sloeg werkelijk alles. Zelden zagen we een band zo’n begeesterende en gedreven show spelen, een mix van pure rock-‘n-roll, onverdunde roots (het leek rechtstreeks uit de negentiende eeuw te komen), religieus fanatisme en een duivelsuitdrijving. Het zeskoppige gezelschap pakte van meet af aan uit met een overdonderende mix van gospel, country, punk en theater. Het is een verademing om het duo Slim Cessna en Munly Munly over het podium te zien stampen, elkaar de zegen te geven en met vuur en passie hun geloof te zien oreren. Het is een band die gul is, met songs, instrumenten en stemmen. Pedal steel, gitaar, contrabas, orgel, banjo’s, handengeklap en gejodel: allemaal werd het aangewend in een set die gaandeweg kolkende proporties kreeg. Die set was grotendeels opgehangen aan hun recentste album Cipher (2008), met geweldige versies van “This Land Is Our Land Redux”, “Americadio”, “All About The Bullfrog In Three Verses” en “Children Of The Lord”.

Het mooie was dat er geen einde leek te komen aan die stijgende lijn. Na drie nummers wisten we dat we een uitstekend concert aan het beleven waren. Halverwege de set stonden we tien meter dichterbij het concert om het allemaal te kunnen zien. In de spectaculaire finale wisten we het wel zeker: hier werd een van de concerten van het jaar gespeeld. Oudjes als “This Is How We Do Things In The Country” en “Cranston” stonden zij aan zij met nieuwe, en het klonk allemaal als een klok. Machtig hoe die gothic aandoende country steeds jachtiger werd, hoe gitarist Pentacost z’n feedbackende banjo liet gieren, hoe Cessna en z’n collega het publiek indoken om de dienst daar te beëindigen. Met “Hold My Head” als orgelstuk was het laatste kwartier al even onvatbaar en verwarrend als een innerlijke tweestrijd: het was opzwepend en ontroerend, rauw en toch enorm gelaagd (die harmonieën!). Slim Cessna’s Auto Club pakte de tent in met een onvergelijkbare stijl en sound en maakte ons fan voor het leven.

Het concert was zo overdonderend dat we er nog van aan het bekomen waren tijdens de concerten van Andre Williams (die een flauw en routineus setje leek op te voeren), Jon Allen (al vergeten) en The Black Box Revelation (te horen op elk festival). Dan maar naar Dick Dale, de enige echte king of the surf guitar. Een vorige tournee werd nog afgelast en dat verwondert niet als je rekening houdt met ’s mans tweeënzeventig jaar en medische voorgeschiedenis. Maar het moet gezegd: hij zag er deze keer enorm vitaal uit, met veel meer energie dan (de vijf jaar jongere) Lou Reed een paar weken geleden. Dat hij geruggensteund werd door een stel woeste knapen die er overduidelijk veel zin in hadden kwam het tempo van het optreden ook ten goede.

Dale is dan nog een speciaal geval. Z’n faam berust op werk dat in de eerste helft van de jaren zestig opgenomen werd en opgerakeld werd dankzij Tarantino’s Pulp Fiction. Met sound en energie zat het wel snor, met de songs ging het zoals verwacht: een paar eigen klassiekers (“Let’s Go trippin’”, “Night Rider”) en een resem covers, gaande van “Folsom Prison Blues” en “Ghostriders In The Sky” tot “Summertime Blues”, “Smoke On The Water” en “House Of The Rising Sun”. Allemaal wel goed gespeeld, maar met een hoog Las Vegas-gehalte. En eerlijk? Na dertig minuten surfgitaar hebben we het wel gehad, al blijft die “Misirlou” een loepzuivere rockklassieker.

Met The Paladins had het festival een afsluitende knaller van formaat in huis gehaald. Het powertrio dat er in 2004 mee ophield, stond op dat moment al jaren te boek als een van de meest opwindende rootsbands van de VS, garant voor zweterige energieke shows waarmee hij vooral in Europa een grote aanhang kreeg. Op zich is die stijl, een vinnige combinatie van rockabilly, blues, country en surf, niet bijster origineel, maar de souplesse van de muzikanten en vooral de stem en het spel van gitarist Dave Gonzales staan steeds garant voor fuifmuziek van de bovenste plank. Ook nu werd vooral uitgepakt met uptempo songs en een resem hitsige fanklassiekers, van “Powershake”, “Going Down To Big Mary’s”, “Let ‘er Roll” en het instrumentale “El Matador”.

En toch werd niet het niveau gehaald dat we verwachtten: of het nu was door het iets slordiger spel, enkele vreemde foutjes (zo werd “Hot Rod Rockin’” twee keer aangevat) of de intredende vermoeidheid, we zagen The Paladins al beter. Het is bovendien nog steeds een mysterie waarom de band zo resoluut vasthoudt aan de traditionele nummers, terwijl hij een paar knallers in huis heeft die van die platgetreden paden afwijken (“Follow Your Heart”, “Ticket Home”). Bovendien werd ook nu weer duidelijk dat Let’s Buzz de grote Paladins-klassieker is: op “15 Days” na kwamen zowat alle hoogtepunten van het concert uit de plaat uit 1990. Een fijn weerzien dus, maar niet de verhoopte triomf. Al was dat natuurlijk niet zo’n ramp dankzij het concert van Slim Cessna’s Auto Club, dat uren later nog steeds nazinderde.

Herkansing voor Slim Cessna’s Auto Club: woensdag 5 mei in de Cactus Club in Brugge. The Paladins staan op zondag 9 mei in De Warande (Turnhout).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − acht =