”The Visitors” :: Hoe ABBA’s zwanenzang ook een nieuw begin had kunnen zijn

Ze schreven tientallen briljante popsongs, maar hun platen waren steevast rommeltjes met ook heel wat treurig tot gênant vulsel. Toch is er één plaat die toont dat er meer zat in ABBA. The Visitors zou helaas de laatste plaat zijn die het viertal maakte, maar op artistiek vlak was het een culminatiepunt dat een nieuw begin als volwassen band had kunnen inluiden.

Om een beetje het genie van ABBA te begrijpen, is het van belang om de hybride achtergrond van de vier leden te begrijpen. Er was om te beginnen Björn Ulvaeus, de begaafde gitarist die met folk/schlagergroep The Hootenanny Singers in de jaren zestig de hoogste regionen van de Zweedse hitparade bereikte. On the road ontmoette hij Benny Andersson, toetsenist bij The Hep Stars, de populairste popgroep van het land; regelrechte tieneridolen. Al snel zouden de twee vrienden worden en werden er samen nummers geschreven.

Dat ze zelf niet de beste zangers waren, ontging hen daarbij ook niet, zelfs al scoorden ze hier en daar wel eens een hit. En dus kwamen de nieuwe vrouwen van hun leven de samenwerking binnen; eerst occasioneel, gaandeweg meer en meer. Anni-Frid Lyngstad en Agnetha Faltskog waren dan ook niet van de minsten; de één een enigmatische zangeres van jazzy standards en cabaret, de andere een jonge schlagerzangeres met een stem die als geen ander emotie tot een kristalheldere zanglijn kon smelten.

Dit was ABBA: liefde voor sterke folk- en schlagermelodieën, gecombineerd met een fascinatie voor de straffe pop van The Beatles en de productietechnieken van Phil Spector. Het was het beste van vier werelden en als de delen elkaar in evenwicht hielden, zoals dat op singles als “Ring Ring”, “SOS” of “Mama Mia” gebeurde, had de band goud in handen. Kantelde het evenwicht, dan kreeg je draken als “I DO, I Do, I Do, I Do, I Do” of “Nina Pretty Ballerina” of… wel, om eerlijk te zijn, slaat de wijzer op de eerste platen van de groep meer wel dan niet die kant uit. Het verhindert niet dat de Zweedse Fab Four halverwege de jaren zeventig wereldwijde supersterren worden.

Gaandeweg, plaat na plaat, komt er echter ook muzikaal beterschap, met Arrival (“Dancing Queen”! “Knowing Me, Knowing You”!) uit 1976 als sterke voorzet. Disco-album Voulez-Vous (1979) wordt een paar jaar later een goede genreoefening. En dan krijgen Andersson en Ulvaeus met Super Trouper (1980) helemaal grip op sound, studio en song. Misstappen zijn er niet te vinden, de occasionele hoempa (“Andante Andante”) blijkt vergeeflijk, en met “The Winner Takes It All” schrijft de groep één van de meest verscheurende scheidingssongs ooit.

Kil en vreemd

Maar eigenlijk was het al te laat. Een kleine tien jaar ABBA had het oninneembare fort immers al lang gesloopt. Twee huwelijken waren teloor gegaan, zakelijke relaties met manager Stig Anderson op scherp gesteld, van optredens was geen sprake meer… De fun was al lang uit de hits verdwenen voor Agneta, Benny, Björn en Anni-Frid,maar de machine denderde door en dus werd er begonnen aan alweer een volgende plaat.

Het ging niet vanzelf. Er waren, om te beginnen, technische problemen. Studiotechnicus Michael Tretow had met Super Trouper dan eindelijk het gevoel controle te hebben over het opnamemateriaal, geconfronteerd met een nieuwe digitale omgeving, werd het worstelen. Het zou er uiteindelijk voor zorgen dat The Visitors een erg kille klank zou krijgen, die echter perfect bij het materiaal zou passen.

“Het klonk gewoon te clean”, zou Tretow later uitleggen. “Dus ik moest manieren vinden om dat te compenseren”. Kwam daarbij nog dat de eerste drie nummers voor de plaat nog analoog waren opgenomen. Om te zorgen dat het verschil met de digitale tracks die daarna op band werden gezet onhoorbaar werd, moest hij vervolgens alle digitale opnames naar analoge tape overzetten, en terug naar digitaal. Een slopend proces.

Het werd niettemin één van de redenen waarom The Visitors zo’n sterke plaat werd. Weg van het zonnige bubbelgumgeluid van voorheen, kreeg de laatste van ABBA een koud en vreemd sfeertje dat de songs alle recht deed. De jaren tachtig waren begonnen, en net als bij pakweg Joy Division aan de andere kant van het muzikale spectrum, sijpelde een gevoel van vervreemding en immer aanwezige doem het universum van de groep binnen.

Dat geluid weerspiegelde ook de sfeer in de studio. Aan de ene kant was de dubbele scheiding een bevrijding geweest; de vier konden nu als professionals samenwerken, zonder dat het persoonlijke in de weg moest lopen. Maar dat wilde ook zeggen dat het botste en daarbij was natuurlijk wel wat ressentiment achtergebleven. Zeggen dat de opnames in een hartelijke sfeer gebeurden, zou de waarheid geweld aandoen.

Mes in eigen wonde

Dit was het geluid van een volwassen groep die nood had aan inhoud en die zocht in de actualiteit. “Abba feel. Abba are socially concerned. In fact, Abba take things so seriously and react to life and love with such overwhelming intensity that Ingmar Bergman would do well to sign them on for a soundtrack”, liet een criticus bij het verschijnen van The Visitors optekenen. De titeltrack alleen al is de verklanking van Koude oorlogparanoïa; de subtitel “(Crackin’ Up)” geeft het al weg. Vaagweg, zonder al te concreet te worden, behandelt het nummer het leven van dissidenten in de Sovjet Unie: eeuwig bang voor die klop op de deur die het begin van het einde betekent.

Het is een gewaagde binnenkomer. “Als ze roekeloos genoeg waren geweest om deze atmosfeer aan een plaat lang aan te houden, dan was The Visitors een klassieker van kunstige doem geworden”, schreef een andere criticus bij het verschijnen van de plaat. Dat deed de groep echter niet. Zoals het “Crackin’ up”-refrein al snel laat horen, is dit nog steeds ABBA, zij het wat ouder, wijzer, en minder vrolijk. Zo wordt ook opnieuw het mes in de eigen wonde gedraaid met het bittere “When All Is Said And Done”, waarin Björn zich misschien net iets te hard inleeft in de recente scheiding van Benny en Anni-Frid: “Here’s to us/One more toast/And then we’ll pay the bills”.

“When All Is Said And Done” is het monument dat met kop en schouders boven de rest van The Visitors uitsteekt. Anni-Frid legt alle woede, tristesse en bitterheid in haar versie van Ulvaeus’ tekst, om uiteindelijk in gelatenheid te eindigen: “Standing calmly at the crossroads, no desire to run/There’s no hurry anymore, when all is said and done”.Muzikaal wordt de aanval over alle linies van Spector nog eens bovengehaald, met een discobeat die door majestueuze toetsen bijna wordt overstemd en een gitaar die de emoties nog wat meer tanden geeft. Het is één van de zeldzame momenten in het oeuvre van de groep dat emotie het straffe ambachtswerk een extra lading geeft.

“Soldiers” is vervolgens een tikje gewoon — “soldaten hebben het niet gemakkelijk”, is de weinig verrassende boodschap — maar net als het veel sterkere “I Let The Music Speak” dat volgt, maakt de productie dat Agnetha en Anni-Frid meer klinken als Olympische schikgodinnen dan als de popmariekes die ze ooit waren. Zeker het laatste nummer wijst ook de richting aan die het nadien zou uitgaan voor Benny en Björn; die van het theater.

Het is misschien de sterkte van The Visitors dat zelfs binnen die kille sfeer erg breed wordt gegaan. “Soldiers” mag licht de hoempa-tour opgaan, “I Let The Music Speak” iets theatraals tussen West End en Queen verkennen, en “One Of Us” vervolgens zeemzoete, smachtende pop; de productie van Tetrow, Ulvaeus en Andersson zorgt dat — zonder dat het nadrukkelijk wordt — alles in eenzelfde licht baadt.

Heel even gaat The Visitors uit de bocht, met de door Björn gezongen mop “Two For The Price Of One” die de eerste keer al niet grappig is. Het hartverscheurende “Slipping Through My Fingers” zet alles gelukkig meteen recht. Net als “When All Is Said And Done” wordt diep in de eigen gevoelswereld gegraven, en vindt Björn de juiste woorden om zijn spijt uit te drukken over zoveel jaren workaholic zijn dat hij dochter Linda niet zag opgroeien. Moeder Agnetha zingt het met begrijpelijke inleving, en wanneer Anni-Frid invalt voor de brug “What happened to the wonderful adventures?” verstrengelen hun stemmen zich zo mooi dat zelfs de stoerste viking in snotteren zou uitbarsten.

Uitgekleed en kaal; naakt in een kille wereld. Zo eindigt The Visitors uiteindelijk. “Like An Angel Passing Through My Room” heeft enkel de toetsen van Benny, een tikkende metronoom en de ijle stem van Anni-Frid nodig. IJzig tikken de seconden weg naar het einde. Het is erg on-ABBA. Geen toeters en bellen. Geen pop. Maar het bewijst voor de zoveelste maal op dit album dat het hier niet moest eindigen. Met The Visitors had de groep een manier gevonden om alle gevoelens van spijt, verwarring, tristesse en beklemming tot een volwassen plaat te kneden. Het zou niet genoeg zijn om het onvermijdelijke af te wenden.

En dus moest het wel aflopen. Er volgden nog een paar losse singles, maar een album kwam er niet meer. Een officiële split ook niet, maar wat “niet onmiddellijk” was, werd “nooit meer”. Het verhaal van ABBA was gedaan. Maar ergens kun je bij het beluisteren van The Visitors de gedachte niet onderdrukken dat dit de start had moeten zijn. Een nieuw begin. Hier waren mensen aan het woord die nog niet uitverteld waren — zoals de singles “The Day Before You Came” en “Under Attack” die na het album nog volgden, bewezen — maar wel moegestreden waren. “Ik denk dat we elkaar wat beu waren op The Visitors“, zou Anni-Frid later zeggen. “We hadden samen zoveel meegemaakt dat er geen vreugde meer overbleef.” Tien jaar van waanzinnig hard werken had zijn tol geëist en ABBA als collectief werkte niet meer. Artistiek gezien had er echter een wereld kunnen opengaan. Daar is een bijbels woord voor uitgevonden: Zonde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × 2 =