Aftellen naar ‘Blues Funeral’ :: de Mark Lanegan special




Het zijn heugelijke dagen voor de liefhebber van de
betere schuurpapieren stem: eind vorig jaar bracht Tom Waits na een
periode van maar liefst acht jaar nog eens iets anders uit dan
overigens voortreffelijke boxsets of liveplaten, en nu komt ook
zijn gevoelsmatige erfgenaam Mark Lanegan, onze andere favoriete
zwaargevooisde cultzanger, binnenkort met nieuw een solowerk
genaamd ‘Blues Funeral’ aanzetten. In tegenstelling tot ol’ Tom
heeft de voormalige zanger van Screaming Trees de studio in de
tussentijd niet geschuwd: collaboraties met zijn duistere
wapenbroeder Greg
Dulli
onder de naam Gutter Twins (nomen est omen), geslaagde
experimenten met respectabel volk uit de elektronicawereld, zoals
UNKLE of
Soulsavers,
en zijn ontplooiing tot crooner noire naast de
engelachtige vocalen van Isobel Campbell zijn maar enkele
voorbeelden. Maar ondanks enkele ronduit imposante albums doorheen
de afgelopen jaren, kunnen we toch niet ontkennen dat we ergens
diep van binnen een – weliswaar klein – vonkje voelden doven
telkens toen we vernamen dat de nieuwe plaat er wéér geen van de
Mark Lanegan Band zou zijn.

Lezers die de laatste soloplaat hebben gehoord zullen dit
misschien begrijpen: op het magistrale ‘Bubblegum’, een kolkende
mix van onweerstaanbaar sexy stonerblues en uitgebeende composities
gedrenkt in ‘s mans typische sinistere sfeer, bleek Lanegan
zichzelf op adembenemende wijze te overtreffen. Een persoonlijk
magnum opus, binnen haar genre niets minder dan een monoliet van
het afgelopen decennium. De verwachtingen voor opvolger ‘Blues
Funeral’ zijn dus niet voor niets hooggespannen.

Reden genoeg om eens terug blikken op een muzikale carrière die
net zo uitzonderlijk is als het sleutelelement dat zijn werk zo
versmachtend, melancholisch en bovenal uniek maakt: de stem. Eens
schurend alsof bij elke keelklank het stenen portaal van eeuwenoud
mausoleum wordt opengeschoven, dan weer dreigend alsof hij voor elk
gesproken woord een dure zwijggelofte moet verbreken. Maar ook
breekbaar en hypergevoelig van aard als de context erom vraagt, of
verrassend hoge uithalen die in schril contrast met zijn brommende
doodsrochel in staat zijn het merg uit beenderen te zuigen – een
vocaal spectrum met bijzonder weinig beperkingen.

Maar laten we er hier voor we verder gaan geen doekjes om
winden: de kans is reëel dat u de man zal afschrijven als een
apathische ex-junk – die zijn deprimerende, repetitieve songs vol
wanhoop beter aan zijn psychiater had voorgelegd – en ergens kunnen
we u daar zelfs geen honderd percent ongelijk in geven. Bent u
echter bereid af te dalen naar zijn onderaards donkerland waar
pessimistisch verlangen de scepter zwaait, wacht u een als
nieuwbakken discipel een uiterst beklijvende ervaring. Of u nu dus
samen met ondertekende halsreikend uitkijkt naar de release van
‘Blues Funeral’, of als de naam Mark Lanegan u vaag bekend voorkomt
omdat u die ooit vermeld hebt zien staan op een albumhoes van
Queens of the Stone Age: (her)ontdek de genialiteit van dit
mysterieus, intrigerend heerschap met dit overzicht, inclusief een
subjectieve selectie uit zijn allerbeste werk: alstublieft!

De grungejaren met Screaming Trees

Weinig muziekscènes zijn in retrospectie zo invloedrijk geweest
voor de geschiedenis van de populaire muziek als de opmars van de
grunge in Seattle tijdens de vroege jaren ’90: zelfs doorheen uw
coma van een goeie twee decennia lang zal u onbewust wel namen als
Pearl Jam, Nirvana of Soundgarden hebben opgevangen. Maar bij het
epicentrum van die aardschok waren ook vele andere, meer obscure
bands vitaal om het landschap op haar grondvesten te laten trillen.
Eén daarvan waren the Screaming Trees, destijds nog een bende
nozems waaronder een jonge Mark Lanegan. Hoewel ze samen met The
Melvins, Green River en soortgenoten aan de bakermat van het genre
lagen, zouden ze slechts een beperkte mainstreamaandacht krijgen in
een wereld die te druk aan het bepalen was of ze nu ‘Ten’ of
‘Nevermind’ de hoogste hemel in zou prijzen.

Achteraf gezien is het eigenlijk een klein mirakel hoe Lanegan,
die destijds regelmatig met zware heroïneverslavingen kampte, die
hele periode heeft overleefd – gezien collega’s als Layne Staley
(Alice in Chains), Andrew Wood (de eerste zanger van wat later
Pearl Jam zou worden) en zijn kameraad Kurt Cobain het vandaag niet
meer kunnen navertellen. Screaming Trees mag dan niet tot de crème
de la crème van zijn carrière worden gerekend, maar de periode was
essentieel om de deuren naar toekomstige collaboraties als
soloartist te openen.

Toch blijft de band enkele ijzersterke nummers op haar naam
hebben staan. Luister bijvoorbeeld eerst naar pakweg ‘In the
Forest’ uit het prille ‘Even If and Especially
When’
en hoor daarna hoe dat best aardige psychedelisch
punkpopgeluid in tandem met Lanegans stem immens veel grauwer,
rijper en krachtiger wordt op hun doorbraakplaat ‘Sweet
Oblivion’
uit 1992, die grungeparels als ‘Shadow of the
Season’, ‘More or Less’ en ‘Julie Paradise’ bevat. Vier jaar later
brachten Screaming Trees het meer experimentele
Dust’ uit, dat hen met ‘All I Know’ een
bescheiden hit opleverde. Het zou hun zwanenzang blijken: de band
spitste in 2000 toen verder commercieel succes uitbleef, maar tegen
die tijd had hun frontman reeds een bijzonder sterke solocarrière
uitgebouwd.

Start van de solocarrière: melancholie boven
gramschap

Lanegan is altijd een man van vele projecten geweest: Screaming
Trees waren amper aan het doorbreken met hun agressieve hardrock of
hij bracht in 1990 al een soloalbum uit met een meer
minimalistische, donkerdere sound, onder de naam ‘The
Winding Sheet’
. Naast Trees-georiënteerde nummers als
‘Mockingbirds’ en ‘Down in the Dark’ (herkent u de backingvocals
zonder hulp van Wiki?), toonde de zanger ook een breekbare kant
door zijn volstrekt unieke stem te combineren met akoestische
arrangementen in het emotionele ‘Museum’ of het zweverige ‘Eyes of
A Child’. Dit was het begin van de melancholische, uitgebeende
stijl die Lanegans muziek de komende jaren zou gaan typeren.

Opvolger ‘Whiskey for the Holy Ghost’ (1994)
ging nog verder in die trant door het verenigen van rauwe
bluesinvloeden en diepere keelklanken tot een nog puurder geheel
van schreiende oprechtheid. Een plaat voor eenzame, donkere nachten
die van begin tot eind garant staan voor een kippenvelervaring, met
als gitzwarte hoogtepunten ‘Kingdoms of Rains’ (de latere sferische
pianoversie met Soulsavers is zo mogelijk nog sterker), ‘Dead On
You Of’ en ‘Riding the Nightingale’. Maar bij voorkeur toch in zijn
totaliteit te degusteren, als het kan op een krakende platenspeler
in een schemerend vertrek vol alcohol- en rookdampen. Geloof ons,
het cliché is hier gerechtvaardigd.

In 1998 sloot Lanegan zijn duistere, bluesgeïnspireerde trilogie
van solowerken af met ‘Scraps at Midnight’. Op
zich alweer een goed album, maar toch iets teveel uit datzelfde
vaatje getapt om opmerkelijk mogen genoemd te worden, met
uitzondering van het wondermooie ‘Bell Black Ocean’ of zijn
emotionele afscheidsrede voor de inmiddels door eigen hand
heengegane Kurt Cobain, ‘Last One in the World’. Het daaropvolgende
jaar kwam ‘I’ll Take Care of You’ uit, een
coverplaat die in zijn puurste essentie eigenlijk ook niets nieuws
toevoegde aan het inmiddels zeer respectabele oeuvre van de zanger.
En toch behoort het tot zijn allerbeste werk: van het gruwelijk
oprecht klinkende titeltrack, tot het smekende ‘Consider Me’ en een
bluesy versie van de traditionele murderballad ‘Little
Sadie’; eigenlijk vormt het een aaneenschakeling van climaxen, maar
met een meer toegankelijk en conventioneel geluid dan hun
voorgangers. In dezelfde stilistische lijn kunnen we ook Lanegans
vijfde, het alweer vrij briljante ‘Field Songs’
uit 2001, situeren. De instrumentele parel ‘Blues for D’ of het
troostende ‘Resurrection Song’ herbergen immers een zeer
gelijkaardig, claire-obscur-achtig atmosfeertje – minimalistisch,
maar met uiterst stijlvolle, warme arrangementen aangekleed en zo
van een onvoorstelbare aantrekkingskracht voorzien. Als u de
duisternis van ‘Whiskey for the Holy Ghost’ te overweldigend vindt,
begin dan hier.

De schaduw naast Josh Homme

Na de millenniumwisseling en het ter zielen gaan van Screaming
Trees, focuste Mark Lanegan zich volledig op zijn ‘Field Songs’ –
of althans voor even – want tussendoor was hij ook een graag
geziene studiogast bij zijn kompanen van Queens of the Stone Age
tijdens de opnames van hun tweede album ‘Rated R’. Een bijzonder
vruchtbare samenwerking én een win-winsituatie zo zou blijken, want
toen hij niet veel later een volwaardig lid van QOTSA werd, brak de
band door bij het grote publiek met het epische ‘Songs for
the Deaf’
, dat met behulp van de monsterhit ‘No One Knows’
in geen tijd een modern rockclassic werd. Volkomen
terecht: een stoner-rock’n rollmeesterwerk in zijn geheel, waarin
Lanegan zich op zijn meest dreigende manier toonde in rasechte
motherfuckers als ‘God is in the Radio’ en ‘A Song for the
Dead’.

Op hun volgende telg in lijn, ‘Lullabies to
Paralyse’
, leek het wel of Lanegans grimmige aura de sound
van de band begon te manipuleren, zoals de amper anderhalve minuut
lange, ingetogen opener ‘This Lullaby’ illustreerde. Ook dit album
lokte unaniem positieve reacties uit, met succesvolle singles als
‘Little Sister’ en ‘Burn the Witch’, maar ook minder bekende
toppers als ‘Tangled Up in Plaid’ en ‘Someone’s in The Wolf’.
Hoewel Queens of the Stone Age zich – nog steeds – met gemak onder
de beste rockbands op aarde mocht rekenen, verliet Lanegan de groep
uiteindelijk in 2005. De vermoedelijke reden? Eindelijk had de
zanger tot dan toe ongeziene individuele alsook commerciële
erkenning gekregen voor een weergaloze soloplaat die hij een jaar
daarvoor had opgenomen met de Mark Lanegan Band: ‘Bubblegum’.

En dat accumuleerde allemaal tot…

Hoe aangrijpend en uiterst genietbaar de voorgangers van
‘Bubblegum’ ook waren, op den duur ontstond de angst dat Lanegans
solocarrière een langzame dood zou kunnen sterven. Dat leek toen
nog verre toekomstmuziek, maar de sinistere sound die zijn vroegere
albums typeerde kon misschien aan monotonie ten prooi vallen. Zo
ver is het gelukkig dus nooit gekomen: lang daarvoor hadden we al
opgelucht ademgehaald toen de EP ‘Here Comes that Weird
Chill’
werd uitgebracht, op alle vlakken de ideale
voorbode voor ‘Bubblegum’. ‘Methamphetamine Blues’ indiceerde een
ruigere richting en op ‘Lextington Slow Down’ spreidde Lanegan zijn
indrukwekkend bereik ten tonele tegen een achtergrond van schaarse
pianotoetsen – de planeten stonden klaar om op één lijn te
komen.

En toen was daar dus ineens ‘Bubblegum’, waarop
die akoestische middernachtsfeer opgefrist werd met stomende, sexy
stonerblues: een uiterst geslaagde synthese van Lanegans in de
schaduw verankerde roots en de groovy, catchy riffs van – toen nog
zijn – Queens of The Stone Age. Niet dat Bubblegum ineens een
vrolijke, meefluitbare popplaat was geworden – thema’s als wanhoop,
drugverslaving en gebroken harten zorgden naar goede gewoonte voor
een neerslachtige sfeer – maar ruigere nummers als opener ‘Hit the
City’ of ‘Drivin Death Valley Blues’ (blast die trouwens
maar eens uit uw speakers als u nog eens alleen bij nacht
over de E40 scheurt) gaven het album op merkelijk hogere
hitgevoeligheid dan zijn voorgangers. Maar Lanegan toonde zich toch
het sterkst in het smachtende ‘Come To Me’, een bloedgeil duet met
PJ Harvey – die vorig jaar op haar beurt eindelijk het verdiende
commerciële succes kreeg met ‘Let England Shake’. We hamerden er al
op het al in de inleiding, als er één plaat is uit deze special die
u écht niet mag negeren, is het deze wel.

De schone en het beest

Blijkbaar had de samenwerking met Harvey geïnspireerd tot het
idee een engelachtige vrouwenstem naast zich te hebben om zijn
doorrookte bariton tegenaan te schuren, want niet veel later zou
Mark Lanegan drie juwelen van platen gaan opnemen met Isobel
Campbell, de voormalige celliste en zangeres van Belle and
Sebastian. Hun eerste verzameling duetten, Ballad of the Broken
Seas
, was zo adembenemend mooi dat niemand het voor
mogelijk achtte dat opvolger Sunday at Devil
Dirt
die verstillende pracht zou overtreffen, maar
niets bleek minder waar. Hun recentste plaat Hawk
daarentegen, bleek een beetje onder de vloek van Lanegans eerdere
solowerk uit de jaren ’90 gebukt te gaan: op zich een ronduit
schitterend album, maar in de schaduw van zijn voorgangers
gerelativeerd tot de betere middenklasse. Maar wat al hun platen
gemeen hebben, is dat ze het allerbeste selecteren uit een goeie
eeuw americana, country, folk en gospel en het als een draagvlak
laat fungeren voor het bij het nekvel grijpende contrast tussen
zijn crooner noire vocalen en haar frêle, hese gefluister.
Een stuk minder zwaarmoedige muziek dan we van Lanegan gewoon
waren, maar denk nu niet omdat er een occasionele zonnestraal door
het wolkendek breekt dat we te maken hebben met
puistige-tiener-meestampfolk à la Mumford and Sons – Thank
God
.

Voor deze Kunstwerken is het trouwens niet onze grimmige
antiheld die behalve voor zijn zangpartijen en inlevingsvermogen
ere toekomt: het was immers de Schotse schone Isobel Campbell die
de ontroerende teksten schreef, arrangeerde en producete.

Op vlak van climaxen, vallen we voor zoveelste keer in herhaling
– we kunnen nu eenmaal er ook niet aan doen dat Lanegan een van de
grootste genieën het moment is – luister deze platen in hun geheel,
ze zijn het meer dan waard. Maar om de lezers met zogeheten
tijdgebrek (u zult uw fout spoedig genoeg inzien) niet in de kou te
zetten: check ‘Deus Ibi Est’, ‘The False Husband’ en ‘The Circus Is
Leaving Town’ uit ‘Ballad of the Broken Seas’
(2006); ‘Who Build the Road’ en ‘Back Burner’ (dat vrouwenkoor!)
van op de opvolger ‘Sunday at Devil Dirt’ (2008);
en het ontzagwekkende ‘We Die and See Beauty Reign’ en ‘You Won’t
Let Me Down Again’ uit hun voorlopig laatste samenwerking –
Hawk’ uit 2010. Nog eentje om het af te leren?
‘Free to Walk’, hun hartverwarmende countrybijdrage aan het
Jeffrey Lee Pierce Sessions Project’, een
tributeplaat met goed volk als Nick Cave, Lydia Lunch en Crippled
Black Phoenix voor de veel te vroeg overleden Gun Club frontman,
tevens alweer een persoonlijke vriend van wie Lanegan afscheid
moest nemen.

Verenigde duistere krachten met Dulli

Laten we even terugkeren naar de pre-Bubblegum periode.
Aangezien Lanegans persisterende neiging om aan gemiddeld zo’n drie
projecten tegelijk te werken, behoort een gestructureerd
chronologisch overzicht van zijn carrière, zoals u wel al gemerkt
zal hebben, helaas niet tot de mogelijkheden. We schrijven 2003:
tussen het toeren met Queens of the Stone Age door vond Mark
Lanegan de tijd om ideeën uit te wisselen met zijn even beruchte
wapenbroeder en Greg Dulli. Indien u de man en zijn werk kent, weet
u dat de twee effectief bloedverwanten zouden kunnen zijn geweest:
zijn soulvolle grungeband The Afghan Whigs startte niet toevallig
op hetzelfde label als Screaming Trees (Sub Pop) en vergaarde in de
jaren ’90 naam en faam met het fantastische ‘Gentlemen’, een album
waarover ook gerust nog een special mag worden geschreven. Voeg
daarbij nog eens Dulli’s voorliefde voor noire en u zal
wel begrijpen dat de samenwerking met Lanegan een in door de duivel
bezegeld pact had kunnen zijn.

Beiden droegen ze op regelmatige basis bij aan elkaars projecten
(zo is Lanegan bijvoorbeeld te horen op ‘A Stich in Time’ van The
Twilight Singers, Dulli’s artistieke toevluchtsoord na de split van
de Whigs), maar het noodlot zorgde ervoor dat we zouden moeten
wachten tot 2008 voordat het duo hun verenigde duistere krachten op
de wereld zouden loslaten. Onder de naam Gutter Twins (of zoals ze
zichzelf omschrijven: The Satanic Everly Brothers) brachten ze
Saturnalia
uit, een voorzichtig schot in de roos. Samen keren ze terug naar
hun grungeroots, in het dreigende Idle Hands, maar durven ook
succesvol experimenteren met elektronica (‘Each to Each’) of folky
gospel in ‘Who Will Lead Us’. Toch blijft de plaat een beetje wrang
nasmaken, alsof deze match made in hell nog net iets meer
potentieel had. Begrijp ons niet verkeerd, dit overklast moeiteloos
het gros van de hedendaagse muziek, maar het kan niet anders of
deze twee mannen zijn voorbestemd om samen ooit een écht briljante
plaat te maken, waarin ze de diepste krochten van elkanders ziel
met een onvoorstelbare schoon- maar ook droefheid zullen
blootleggen. Wij wachten op die dag, al vrezen we dat dit ook wel
eens de Apocalyps zou kunnen zijn. Maar laten we ons geduld iets
minder op de proef stellen en beginnen met aftellen van naar een
potentieel evenwaardig alternatief: ‘Blues Funeral’.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − zes =