Danny Fox Trio :: The One Constant
Turtleboy :: Smart Matter

Het vanuit Vancouver opererende Songlines-label is al een paar jaar bezig aan een parcours dat er steeds boeiender op wordt, door het samenbrengen van gevestigde waarden die hun zin voor avontuur nog niet verloren zijn en anderzijds jong talent dat gehoord mag worden. Met het Danny Fox Trio en Turtleboy stelt het label opnieuw wat jonge trio’s voor die mainstream koppelen aan eigenzinnigheid.

Het Danny Fox Trio geeft zelf aan positie in te nemen tussen het klassieke pianotrio, een kamerensemble en een rockband. Die laatste twee mogen gerust met een korrel zout genomen worden, omdat het pianoformaat hier behoorlijk trouw blijft aan de traditie. Bij oppervlakkige beluistering althans, want al snel blijkt dat Fox inderdaad geen doorsnee pianist is en krijg je bewijs van die klassieke ervaring. Samen met bassist Chris van Voorst van Beest en drummer Max Goldman brengt hij een debuut uit dat hoog mikt, met zeventig minuten eigen materiaal, iets dat zelfs voor ervaren kleppers een uitdaging is.

De ambitie wordt echter grotendeels ingelost, doordat je snel ontdekt te maken te hebben met een goed op elkaar ingespeelde band die aan de slag gaat met vol knopen gestoken composities die toch ook veel ruimte laten voor individuele in- en bijkleuring. Hier en daar duikt de klassieke Monk-invloed op bij Fox, maar nog meer doet zijn stijl denken aan die van Ethan Iverson (van het nog sterker experimenterende The Bad Plus) of soms zelfs aan het vloeiende spel van Eri Yamamoto. Het trio wordt bovendien ook geholpen door een warme, mahoniehouten sound die soms regionen van donkerte opzoekt die je weinig te horen krijgt bij klassieke jazztrio’s. Dat is dan misschien die rockinvloed in meest tastbare vorm.

De popinvloed is ook hoorbaar in songs als “Trudge”, terwijl de band op z’n best is in misleidende composities als “Fable’s End”, die getuigen van een sterk melodisch vernuft. “Even Tempered” heeft dan weer meer verwantschap met de pianosonates van Beethoven dan met de tegendraadse stijl van Monk. The One Constant vergt niet enkel een inspanning vanwege de lange speelduur, maar ook de aanpak, die de teugels soms wat te veel laat vieren. Anderzijds leidt het geen twijfel dat dit een trio is om in het oog te houden. Wie meteen zo’n gulle greep uit eigen kunnen laat horen zonder op z’n bek te gaan, is misschien in staat om met nog sterkere vervolgen op de proppen te komen.

Het trio Turtleboy is intussen al aan z’n tweede album toe, maar wordt nog steeds tot de jonkies gerekend. Jonathan Lindhorst (tenorsax), Ryan Butler (gitaar) en Adam Miller (drums) lieten zich inspireren door de basloze trio’s van Paul Motian en hebben een sound die veel nauwer aansluit bij de rockwereld dan die van het Danny Fox Trio. In eerste instantie komt dat door de volop met galm en andere effecten spelende Butler, al krijg je hier en daar ook een rockbeat te horen, maakt het trio gebruik van soundscape-achtige tussenstukjes en is er de obligate Radiohead-cover. Dat is intussen een uitgemolken idee (en bovendien speelde Atomic al de definitieve jazzversie van “Pyramid Song”), maar maakt meteen duidelijk waar Turtleboy zichzelf wil situeren.

Door het veelvuldig gebruik van galm en andere atmosferische spielereien wordt soms een soort Scandinavisch sfeertje gecreëerd, dat hier en daar gelukkig wel opengebroken wordt. De band gaat prat op z’n collectieve improvisatie, al betekent dat in dit geval helemaal niet dat de sluizen opengezet worden voor expressieve uitspattingen. Integendeel, de band zoekt eerder heil bij een manier van spelen die doorgaans weinig risico’s neemt, met veel herhalingen (“Inner Space”, dat een verre verwant is van de indie jazz van Portico Quartet) en stukken die van lijzig balladeterritorium vertrekken (“Separation Anxiety”). De tussenstukjes halen regelmatig de vaart uit de plaat, waardoor Smart Matter eerder braafjes aanvoelt, maar gelukkig zijn er een paar prikkels.

Meest geslaagde voorbeeld is “Elephant”, waarvoor het trio daadwerkelijk een brug slaat tussen moderne jazz en indierock en in de tweede helft zorgt voor een decibelrijke climax. Elders zorgen de goede intenties echter niet voor dat soort geknetter, waardoor het slotkwartier er eigenlijk te veel aan is. Belangrijkste punt van kritiek is dan ook dat Smart Matter net iets te veel inzet op sfeerschepping en moderne sound, wat ten koste gaat van de flow en het energiepeil van het album. Daardoor valt meteen op dat de substantie, nog in genereuze hoeveelheden aanwezig op het album van het Danny Fox Trio, hier eigenlijk de grote afwezige is. Een boeiend plaatje, maar net iets te flauw om lang bij te blijven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 − drie =