Vijay Iyer Trio :: 13 oktober 2011, De Roma

Vijay Iyer is intussen geen onbekende meer in deze contreien: sinds vorig jaar daagde hij al op voor duoconcerten met Rudresh Mahanthappa en Craig Taborn, solo performances en een samenwerking met het Hermes Ensemble. Een festivalverschijning op Gent Jazz buiten beschouwing gelaten, was dit echter het eerste concert met z’n gelauwerde trio, dus de verwachtingen waren erg hooggespannen. Ze werden grotendeels ingelost.

Die brede variëteit aan bezettingen bewijst andermaal Iyers vermogen om in verschillende contexten werkzaam te kunnen zijn, gaande van taaie avant-garde (met Craig Taborn, die ook deel uitmaakt van Roscoe Mitchells Note Factory) en uitstapjes richting Indische muziek (zoals op het recent uitgebrachte Tirtha) en moderne klassiek, tot de iets conventionelere jazz van zijn Trio. Met bassist Stephan Crump en Marcus Gilmore nam Iyer Historicity (2009) op, een alom bejubeld werkstuk dat door The New York Times, Downbeat, NPR, Village Voice, Popmatters en een resem andere publicaties tot jazzalbum van het jaar uitgeroepen werd. Om maar te zeggen dat de pianist momenteel behoort tot het beste wat er op de markt zou moeten zijn.

De eerste indruk bevestigde alleszins meteen dat Iyer het niet té moeilijk maakt met deze bezetting. Alhoewel. De jazz die hij liet horen, was niet die van de onvoorspelbare, vol dissonante moeilijkdoenerij volgestouwde soort, maar heeft anderzijds toch meer in pacht dan je bij een oppervlakkige beluistering zou vermoeden. De composities waren zeer sterk uitgewerkt, aanvankelijk met een nogal dichtgeplamuurde sound, die weinig ruimte liet voor individuele hoogstandjes (bij deze knapen m.a.w. geen eindeloze aaneenschakeling van solomomenten), maar die een imponerende complexiteit verraadde, zelfs in stukken die vrij rechtlijnig en repetitief klonken.

Iyer bewees al regelmatig leentjebuur te spelen bij de meest uiteenlopende invloeden, van klassiekers als Ellington tot popsterren M.I.A. en Stevie Wonder, maar zelf sluit hij wat aanpak betreft toch meer aan bij de ‘intellectuele’ traditie, die niet zozeer terugvoert naar Bud Powell, Bobby Timmons en Horace Silver, als naar de knoestige constructies van Monk, de labyrintische complexiteit van Andrew Hill (“Smoke Stack” uit Historicity behoorde ook nu tot de setlist) en de moeilijk vast te pinnen tussenstijl van Mal Waldron. Iyer zoekt ook eerder heil bij naar klassiek neigende jazz dan bij de blueswortels, zelfs al voert hij een bewerking uit van “The Star Of A Story” van 70’s funkband Heatwave.

Het concert was er dan ook geen van Grote Gebaren en rauwe emoties, al ging hij wel van start met het traag opbouwende, zinderende spanning verwervende “Optimism”, dat hem even deed klinken als Matthew Shipp binnen het David S. Ware Quartet. Daarna ging het er egaler aan toe, met nu en dan een vermomde soulgroove of een strategisch hoogstandje, zoals de bewerking van Henry Threadgills “Little Pocket Size Demons”. Crump en Gilmore (kleinzoon van drumlegende Roy Haynes en zelf ook goed op weg om topstatus te bereiken) ondersteunden hem daarbij al even eigenzinnig, zelden kiezend voor vlotte swing, en eerder mikkend op een steeds verschuivende ondergrond van ritmische variatie die culmineerde in Hills “Smoke Stack”.

De tweede set benadrukte de variatie in de set nog meer, met de excentrieke aanpak van “Cardio” (uit Reimagining (2005), het eerste album waarop de toen amper meerderjarige Gilmore te horen was), maar vooral ook de broeierige kaalheid van “Abundance”, die een hoogtepunt op het nog te verschijnen album belooft te worden. Met een versie van Herbie Nichols’ “Wildflower” (opnieuw een invloed die we hadden kunnen zien aankomen), ver in de tweede set, kregen we voor het eerst iets te horen dat je onder de noemer ‘klassieke jazz’ zou kunnen plaatsen, al werd dat weer gevolgd door zijn behandeling van “Human Nature”. In tegenstelling tot de versie op Solo miste deze uitvoering echter wel dosering en sleepte te lang aan. Dat geldt misschien ook voor het hele concert: hoewel het trio soms hypnotiserende resultaten bereikte met die combinatie van toegankelijkheid en experiment, had je toch het gevoel dat meer dan twee uur iets te veel van het goede was.

Het voorbije decennium bracht Iyer maar liefst een dozijn albums uit. Die laten een erg bochtig, maar onwaarschijnlijk boeiend parcours horen. Live is hij ook behoorlijk uniek: charmant, virtuoos zonder opschepperig te zijn en toch een uitdaging voor zij die graag de tanden stukbijten op structurele complexiteit. Dat hij ondanks z’n wetenschappelijke achtergrond en voorliefde voor schijnbaar mathematisch uitgewerkte muziek toch misleiding en mysterie in z’n muziek weet te stoppen, is misschien wel het grootste compliment. En het garandeert ook dat zijn verhaal nog lang niet uitverteld is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × vijf =