Vijay Iyer Trio :: 24 oktober 2013, Handelsbeurs

Voorlopig lijkt er nog altijd geen einde te komen aan Vijay Iyers gestage triomftocht, die vooral vanaf doorbraakplaat Historicity (2009) een enorme boost kreeg. Jazzrecensenten en -kenners lopen elkaar voor de voeten terwijl ze de man de hoogste lof toezwaaien, en het aantal prijzen dat hij in de wacht sleepte moet intussen volstaan om een aantal pronkkasten te vullen. Hoog tijd dus om nog eens te gaan kijken hoe het er anno 2013 aan toegaat in Camp Iyer.

Wel, vooralsnog geen reden tot paniek. Iyer, die morgen 42 wordt, is nog steeds de innemende en bescheiden artiest die hij ook al was tijdens zijn eerste Belgische concerten, en daar zal het ontvangen van de recent toegekende MacArthur Fellowship (een beurs waar een prijzenpot van een dikke 600.000 dollar aan vast hangt), die tijdens het concert niet vermeld werd, weinig aan veranderen. Meer nog: Iyers bescheidenheid en inzet, die tot ver buiten zijn wereldje reikt, zou mee de doorslag gegeven hebben voor die beslissing. Hoewel de man behoorlijk complexe muziek maakt, lijkt er tegelijkertijd geen vervelend waas van academisme rond te hangen, al helpt het wel als je gevoelige oren hebt die kunnen waarnemen hoe de pianist en z’n ritmesectie er steeds opnieuw in slagen om een geheel eigen wereld op poten te zetten.

Iyer toont zich daarbij geen halvegare die op en neer wipt op z’n stoeltje, geen showman die zich in het zweet werkt met een complete overgave. Iyer is geen werkman, maar een denker, een architect. De man met het plan en de visie. Hem daar zien zitten, met dichtgeknoopt vestje en kaarsrechte rug, geen druppel zweet latend, wiegend en nu en dan knikkend naar z’n kompanen, het is ronduit intimiderend. Haast bovenmenselijk in z’n beheersing. Voordeel is dan ook dat Iyer, ondanks momenten waarop hij speelt met een soms duizelingwekkende complexiteit en vingervlugheid, geen aandachtsgeile uitslover is. Hij is een controlemens. Weliswaar eentje die creatieve omgang met het materiaal nastreeft en aanmoedigt, en die voorzichtig funk en andere “genrevreemde” elementen binnensmokkelt, maar niettemin het overzicht blijft behouden.

Hij wordt dan ook ondersteund door twee virtuozen die het ook niet noodzakelijk van het grote gebaar moeten hebben. Zowel bassist Stephan Crump als drummer Marcus Gilmore kregen soloruimte ter beschikking, maar grepen die niet aan om uit te pakken met goedkoop effectbejag. Net als de meester hebben zij een niet weg te denken bijdrage te leveren aan het geheel. Haal één pion weg en het trio stort in elkaar als een kaartenhuisje om nooit meer hetzelfde te zijn. De manier waarop Crump Iyers spel voorziet van een onderhuidse puls, die volledig naar eigen goeddunken meer naar het oppervlak gestuwd wordt of kan ronddolen als een geestesverschijning, is indrukwekkend. De manier waarop Gilmore rond het werk van z’n collega’s kleurt zonder ook maar een keer te vervallen in iets dat je als traditioneel jazzdrummen zou kunnen omschrijven, is al even opmerkelijk.

Groove staat centraal, vaak zelfs in de balladepassages, maar wordt steeds met een enorme subtiliteit uitgevoerd. Enkel in “Hood”, een eerbetoon aan de Detroitse technopionier Robert Hood, krijgen de ritmes het heel even écht voor het zeggen, maar zelfs dan worden ze tegenover de grillige rechterhand van Iyer geplaatst, die het nooit helemaal doet overslaan naar een fysieke aanslag op het lichaam. Het meest recente album, Accelerando, is intussen al van begin 2012, maar kwam herhaaldelijk aan bod: zo was het openende stuk “Lude” ingenieus verweven met de nieuwe vierdelige suite “Break Stuff”, die geïnspireerd zou zijn door Jeff Changs boek over hiphop Can’t Stop, Won’t Stop. “Beïnvloed door” en “klinkt als” zijn echter twee totaal verschillende dingen bij Iyer, die zelfs als zichzelf zou klinken tijdens het uitvoeren van Motörheads grootste hits.

Ook minder bekend: “Our Lives”, dat meteen na een robuuste interpretatie van Herbie Nichols’ “Wildflower” gegooid werd en het concert even voorzag van een ademruimte die het vroeger wel eens durfde te ontberen. Van een vorige passage in De Roma, — twee sets die goed waren voor ruim twee uur topmuziek –, onthielden we dat het een even imponerend als vermoeiend staaltje was van wendbaarheid en interactie, en dat was bij deze lange set (in totaal goed voor zeven kwartier) soms niet anders. Als je herhaaldelijk uitpakt met composities die erg complex zijn en ze vervolgens bijna naadloos aan elkaar haakt zonder al te veel rust of pauzes, dan loop je het risico te belanden bij een ideeënindigestie. De sectie die geplukt werd uit de suite “Open City” — een werk geïnspireerd op Teju Coles gelijknamige roman, dat literatuur en muziek combineert voor een ensemble van maar liefst twee dozijn artiesten en onlangs in première ging – leek in deze context trouwens minder goed te werken. Tegen de tijd dat Iyer & co. belandden bij het zoals steeds indrukwekkende “Optimism”, konden we een zucht van opluchting moeilijk onderdrukken.

Daartegenover staat dan weer dat het trio garant blijft staan voor samenspel op een soms onwaarschijnlijk hoog niveau, een uniek geluid en een hoorspel dat zich steeds opnieuw ontvouwt met een raadselachtigheid die je zelden gepresenteerd krijgt op zo’n ingenieuze en charmante manier. “I like long goodbyes”, mijmerde de pianist tijdens z’n afscheid. Wij ook, zeker als ze komen van zo’n innemende kerel (en hij blijft er 22 uitzien), maar we zouden hem ook eens een compact concert willen zien spelen dat ons doet smeken om meer, in plaats van een hyperintensieve beproeving die je met kwaliteit en kwantiteit murw slaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − veertien =