WERCHTER 2011: Bright Eyes :: zaterdag 2 juli, Marquee

Enkele jaren geleden liet Conor Oberst optekenen dat het verhaal van Bright Eyes waarschijnlijk eindig was. Nog één plaat en dan zou het gedaan zijn. Nu dat The People’s Key er is, lijkt Oberst echter opnieuw plezier te hebben gevonden in zijn band.

Het was nochtans niet de beste plaat die hij ooit gemaakt heeft, dat comeback album. Harder dan we Oberst in lang hadden gehoord, dat wel, en met meer dan een tikje elektronica onder de arm als een vage herinnering aan zijn digitale uitstap op Digital Ash In A Digital Urn. Maar ook één waarop de zanger zich meer dan eens verliest in etherisch gezwijmel. De scherpe tekstschrijver van weleer lijkt een beetje afwezig.

Oberst weet dat, of doet er toch niet moeilijk over: slechts zelden put hij op Werchter uit dat recente werk en als het gebeurt is het met de juiste nummers. Geen klachten, eigenlijk, over deze setlist die een mooie doorsnede van zijn latere werk levert. Latere werk? Oberst excuseert zich al na twee nummers “Dat ander podium maakt te veel lawaai voor de trage songs”. Geen slaapkamersongs dus, als het oude “Padraic My Prince” dat hij afgelopen winter meermaals speelde, maar stevige, uptempo rock.

De toon wordt meteen gezet met dat mitrailleurvuur aan drums en de scheurende gitaar van “Jejune Stars”. “Take It Easy (Love Nothing)”, volgt, en het is al snel duidelijk dat het einde van Bright Eyes nog niet in zicht is. Misschien is het zo simpel: Oberst heeft na jaren als solo- en duoproject met Mike Moggis, van Bright Eyes eindelijk een echte band gemaakt, en in dat samenspel de vreugde gevonden die nodig is om gaande te blijven. Het levert een bij momenten onstuimig concert op.

Oberst stuitert over het podium, terwijl de zes muzikanten achter hem voor een stevig, vol geluid zorgen. Slechts de trompet van Nate Walcott zorgt af en toe voor iets meer nuance, nog het meest in een knap “Lover I Don’t Have To Love”, of in een kippenvelverwekkend “Old Soul Song (For The New World Order)”. Met “Shell Games”, aangekondigd met “And for our next trick, you will see the illusion of sincerity”, zoekt Oberst de uiterste hoeken van het podium af, om met dat “Everyone at the count of three: all together now” de tent op te zwepen. Vandaag is hij meer publieksmenner dan we hem ooit zagen.

Soms is het echter moeilijk het enthousiasme van Oberst serieus te nemen. “Many kisses for you mwah mwah mwah”, wuift hij ons na de zoveelste bedanking uit, maar ergens heb je het gevoel dat hij verloren loopt in zijn eigen spot; het soort neerbuigend sarcasme dat in de jaren negentig als ironie werd verkocht. Of vergissen we ons? Geef ons toch maar liever de knipoog “This is a new song I co-wrote with Beethoven”, waarmee “Road To Joy” wordt aangekondigd. Met Jenny Lewis, (van Jenny And Johnny, zichzelf en Rilo Kiley) op extra trom, laat hij het nummer ontsporen in lawaai; een stevig orgelpunt.

Wat past hierna? Een melig “One For You, One For Me” dat flirt met eighties schmalz, bezoekjes aan de frontstage voor een knuffel met de eerste rij, die lots of kisses. En weg is Conor. Geen zorgen over dat mogelijke einde. Volgens ons vond hij het veel te tof.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × twee =