Anton Tsjechov :: Op kamers

Na de novelle Drama op de jacht brengt Uitgeverij van Oorschot met Op kamers het eerste deel van Anton Tsjechovs verzamelde verhalen uit op hardcover. De goedkope uitgave biedt een unieke mogelijkheid om dit weergaloze oeuvre, beginnend bij de verhalen uit 1880, te leren kennen.

Tussen zijn twintigste en vijfentwintigste levensjaar schreef Tsjechov veel verhalen voor allerhande moppenblaadjes. Veel daarvan beslaan niet eens vijf bladzijden en waren bij wijze van spreken slechts bedoeld om abonnees te werven voor de zogenaamde "kleine pers". Deze humoristische krantenverhalen werden dan misschien snel geschreven en waren onderhevig aan een beperkt aantal regels of censuur, ze zijn allesbehalve inhoudsloos clownsvermaak. Er spreekt een enorme opmerkingsgave en een fenomenaal talent uit. Om het met Tsjechovs eigen woorden te zeggen: "Maakt het iets uit of een nachtegaal in een grote boom of in een struik zit te zingen?".

Het boek opent met het kleine meesterwerk Brief aan een geleerde buurman. Oorspronkelijk gestuurd naar het humoristische blad Libelle uit St. Petersburg, beschouwde Tsjechov het als zijn literair debuut. Desondanks vond hij het niet goed genoeg om op te nemen in zijn verzameld werk. Gelukkig hebben de vertalers van Op kamers ook verhalen geselecteerd die Tsjechov niet goed genoeg vond. Het moet trouwens gezegd dat de verhalen die hij wél opnam door Tsjechov zelf geredigeerd werden rond 1900, terwijl de andere in oorspronkelijke versie te lezen zijn. Deze herwerking schuilt hem in het schrappen van te groteske of overbodige personages of uitspraken.

De korte grappige verhalen uit Tsjechovs jeugd worden gekenmerkt door hun sterke anekdotische inslag. Hoewel steeds dicht bij de werkelijkheid, zit de twist hem meestal in fantasievolle invallen. Onderwerp zijn de meest gevarieerde sociale klassen en milieus, van ongeletterde boeren in de provincie tot belezen stedelingen. Allen worden ze op de korrel genomen, hun menselijke onvolkomenheden nauwgezet opgemerkt en geridiculiseerd. De scherpte daarbij is opvallend. Er is nooit sprake van een happy end: alles wat de mens dierbaar is, lijkt te verzengen in het vuur van Tsjechovs pen. Hij ontneemt zijn personages als het ware hun illusies, hun mogelijkheid tot geluk. Zoals in het titelverhaal Op kamers, waarin een verarmde kolonelsvrouw eerst afgeeft op een ordinaire huisgenoot, tot ze hoort dat hij kapitein is en hem als mogelijke huwelijkskandidaat voor haar dochters ziet.

De tragiek van de menselijke ontmaskering in zijn tekortkomingen die gelardeerd wordt met verfijnde humor maken de verhalen tot (soms hilarische) parels. De zes verhalen over het theater nemen daarbij trouwens een mooie plaats in. Tsjechov wordt nooit belerend binnen een bepaalde overtuiging, politiek of filosofisch. Hij richt zich veleer op het existentiële — en in feite doet hij dat op een barmhartige manier. Het geniale vermogen om daarbij zijn personages met een minimum aan middelen en economie van stijl neer te zetten, maakt Tsjechov tot een onovertroffen schrijver van korte verhalen. De vertalers Tom Eekman en Aai Prins verdienen alle lof. Van de laatste is trouwens ook een interessant nawoord opgenomen.

De verhalen uit het boek lopen tot 1985, het jaar waarin de brief van Grigorovitsj hem zou oproepen zijn talent serieus te nemen. Dat luidt het begin in van een periode met minder en andere verhalen. Met De steppe zal de intrede volgen tot de "echte" literatuur. Laat ons hopen dat Uitgeverij van Oorschot ons ook hiervan niets onthoudt in deze hardcovereditie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + zestien =