Howe Gelb And A Band Of Gypsies :: Alegrias

Howe Gelb is een artiest die niet anders kan dan zichzelf zijn. Z’n vijfentwintigjarige carrière is al behoorlijk eclectisch, maar zelfs als de troubadour van Tucson zich zou wagen aan hiphop, trash metal of het voorlezen van Shakespeare’s sonnetten in het Duits (iets wat, zover we weten, nog niet gebeurd is), dan nog gaat het klinken als een typische Howe Gelb-plaat. Hij is dan ook geen kameleon die zich aanpast aan de omgeving, maar een artiest die er op de een of andere manier steeds in slaagt om de wereld rond zich om te buigen naar zijn noden, tics en eigenaardigheden.

Hoewel het oudste werk van Giant Sand misschien buiten die claims geplaatst kan worden, bestaat er zoiets als de ’The Gelb Sound’; of die nu te situeren valt in de richting van de woestijnrock, de blues, country, gospel of een mengvorm van een of meerdere onderdelen. Op z’n best schrijft Gelb ribbenplakkers en meanderende mini-epen die klinken alsof ze ter plekke bedacht en uitgevoerd werden, uit de losse pols geschud nadat hij een idee kreeg en vervolgens meteen aan de piano ging zitten om dat een beetje uit te werken. In z’n mindere momenten durft dat al eens leiden tot songs die eerder aanvoelen als steeds in beweging blijvende samenraapsels, al is ook daar de stempel van de artiest onmiskenbaar.

Dan is er natuurlijk ook nog die onvergelijkbare vocale stijl, die gesproken ’zang’ die soms wars van akkoordenreeksen en stemming een parcours lijkt te volgen dat op dat moment het meest geschikt lijkt. Het is nonchalant gemurmel van een technisch beperkt zanger, maar dan eentje die zonder er een inspanning voor te doen meteen herkenbaar is. En vooral: het draagt enorm bij tot de vertrouwde, geruststellende sfeer van veel Giant Sand- en soloplaten. Ronduit opmerkelijk is het, hoe die Gelb ondanks de talloze ontrafelende songs steeds opnieuw er in slaagt om je het gevoel te geven dat hij de song die je hoort vijf minuten eerder schreef. Speciaal voor jou. Op het Roots & Roses festival was er onlangs ook maar een song of twee voor nodig om je het idee te geven dat hij met z’n vrienden in je huiskamer stond te spelen.

Ging het op ’Sno Angel Like You (2006), nog altijd een van de hoogtepunten van z’n carrière, vooral de richting uit van de blues en gospel (vooral dankzij de hulp van het Voices Of Praise Gospel Choir), dan wordt op Alegrias heil gezocht bij de flamenco. Gelb trok naar de Spaanse woestijn van Cordoba met een resem oude en een handvol nieuwe songs, omringde zich met goed volk (waaronder de illustere gitarist Raimundo Amador) en zette het, als we de resultaten moeten geloven, opnieuw op een ontspannen jammen met een paar gelijkgezinden. Alegrias klinkt al net zo organisch, losjes en ondoordacht als een grote greep van z’n werk. Een aantal songs ondergingen daarbij vrij ingrijpende veranderingen (andere arrangementen en instrumentatie), maar toch is de visie onmiskenbaar.

Zo is er bijvoorbeeld "4 Door Maverick", een geweldige song op z’n meest rommelige plaat (Hisser uit 1998), dat in deze exotischer versie al evenzeer overeind blijft. Iets minder treurig, maar al even dromerig en nog steeds een prachtig eerbetoon aan wijlen Rainer Ptacek. Of "Blood Orange", overgenomen van The Listener, en hier verpakt in zacht accentuerende gitaar, een eenvoudig pianospel en ontspannen backing vocals. Het moet trouwens benadrukt worden dat John Parish zorgde voor een geluidsmix die zorgt voor een erg natuurlijk en nabij effect, alsof de muzikanten om je heen staan te spelen. Ook in een aantal Giant Songs zorgt dat voor het nodige effect: "Uneven Light of Day" (van 80’s klassieker Storm) en "(There Were) Always Horses Coming" zijn idealiter melancholisch wiegende brokken bij een rode zonsondergang.

Het spel op de plaat is over de hele lijn ontspannen, maar rijk aan nuances, met nu eens uitstappen in een iets jazzier richting en dan weer vrij trouw aan de regels van de klassieke flamenco, waardoor hij dichter dan ooit bij het werk van z’n voormalige compagnons van Calexico komt. Zo wordt "Cowboy Boots On Cobble Stone" op gang getrokken door virtuoos snarenspel en werd "One Diner Town" van alle overbodige franjes ontdaan, tot Gelb overbleef met een naakt portret. Het is een techniek die doorgaans goed werkt, al zijn de hoogtepunten die meteen blijven hangen eerder dun gezaaid. Bovendien wordt hier en daar gezorgd voor wat wollige resultaten (“Broken Bird & The Ghost River”) en doet een wat ongelukkig "The Ballad Of Lole y Manuel" vooral denken aan de kitscherige pleziertjes van Gainsbourg.

Alegrias zorgt niet voor de Wow!-ervaring die ’Sno Angel Like YOu was, maar het is zo sterk doordrongen van die typische Gelb-wereld dat wie ook maar een beetje een zwak heeft voor de man hier ongetwijfeld iets in kan vinden dat bevalt. Want net zoals het precies die onvolkomenheden van zijn songs zijn die ze zo charmant en uit het leven gegrepen maken, zo is ook zijn discografie bovenal een totaalwerk dat nooit de pretentie heeft om zich artificieel boven het leven te stellen. De liefhebber weet wat te doen, al had die de plaat waarschijnlijk al voor ons in handen. En zo hoort het ook.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 + 6 =