Tony Malaby’s Tamarindo :: Live

Met z’n zesenveertig jaar is Malaby niet bepaald een Jonge Turk die aangestormd komt, en toch voelt het zo aan. Veel heeft ermee te maken dat de saxofonist van Arizona, hoewel hij al ruim anderhalf decennium meedraait tussen de grote jongens, de voorbije jaren pas als bandleider naam maakte. De eerste plaat met het trio Tamarindo (2007) leek wel het echte startschot. Sindsdien is de man bezig aan een opgang die nog in volle ontwikkeling lijkt.

Het spreekt ook boekdelen dat het Portugese Clean Feed deze jubileumrelease (de tweehonderdste in zijn catalogus!) voorbehouden heeft aan Malaby. Die maakte eind 2009 al enorm veel indruk met Voladores, een plaat die het tot heel wat eindejaarslijstjes schopte en hem definitief naar een grotere liga katapulteerde. Een andere reden waarom net deze band centraal gesteld wordt, is natuurlijk de ritmesectie. Bassist William Parker is een van de sleutelfiguren uit de moderne free jazz en drummer Nasheet Waits maakte grote sier aan de zijde van Dave Douglas, Fred Hersch, Andrew Hill en vooral pianist Jason Moran.

Voor deze live-opname uit juni 2010 werd een extra man ingeschakeld: de intussen bijna zeventigjarige trompetlegende Wadada Leo Smith. Een kwartet met een imposante staat van dienst, zowel in de meer traditionele als de experimentele vleugel van de jazz, dus dat moest wel vuurwerk opleveren. Of op z’n minst vonken, gensters, niet te doven vlammetjes. Het is uiteindelijk een beetje van dat alles geworden: mainstreamjazz kan je dit bezwaarlijk noemen, al is er ook geen sprake van een uur rondspetterende, muzikale action painting. En hoewel er soms wordt gespeeld met een aanzienlijke agressie, zijn er ook volop momenten van smeulende intensiteit onder het oppervlak.

Malaby is dan wel de facto bandleider en de componist van de vier gespeelde stukken, dit is duidelijk een collectief project, waarbij de vier betrokkenen de vrijheid gunnen en krijgen om het laken naar zich toe te trekken en binnen de uitgezette bakens volop kunnen reageren en anticiperen. “Buoyant Boy” is meteen een prima voorbeeld: het kwartet introduceert kort een simpel thema en Malaby verlaat meteen het podium om Smith minutenlang z’n ding te laten doen. En die doet dat met een opmerkelijke gretigheid en expressiviteit, wippend naar uithalen in het hoge register en gul strooiend met rauwe loopjes. Intussen hoor je die ritmesectie in elkaar haken om een steeds in beweging blijvend fundament te creëren.

Daar zit ‘m meteen ook het pijnpunt van deze plaat: klinken Malaby en Smith best prima, dan gaan de finesses in het spel van Waits en Parker vaak verloren, zeker in de rumoerige momenten, als de twee door een soms irritant doffe geluidsbalans bijna niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Of als Parker naar het einde van het stuk uitpakt met een solo, dan krijg je de indruk dat hij in de kamer ernaast in z’n eentje staat te spelen. Jammer, vooral omdat je tegelijkertijd voelt dat het goed zat, wat te horen valt aan de manier waarop het kwartet met het basismateriaal speelt, erop varieert, het binnenstebuiten keert en steeds vanuit andere invalshoek belicht.

Er wordt regelmatig ook gas teruggenomen: zo is “Hibiscus” een stuk waarin Malaby op tenor kan laten horen waarom hij recent opdook op platen van o.m. Christ Lightcap en Ken Filiano: hij is een multi-inzetbare muzikant, zowel op z’n gemak in het hoge als het lage register, binnen soulvolle ballads als forse interactie. Z’n samenspel met Smith is hier losjes en ongedwongen, op het nonchalante af, maar wel erg mooi. Voor elk ingetogen moment krijg je echter ook weer een heropleving, in dit geval afsluiter “Jack The Hat”, dat opnieuw wordt gekenmerkt door die weerbarstige wisselwerking van Parker en Waits.

Het beste stuk, omdat het zo geslaagd samenbrengt tot wat deze band zoal in staat is, is het lange “Death Rattle”, dat van start gaat vanuit haast willekeurig gepruttel, gereutel en gezeur, ter plaatse trappelende spelletjes die gaandeweg wakker geschud worden en de dynamiek vinden om de boel op gang te trekken. Vooral Waits en Smith vallen op: de drummer omdat hij vanuit schijnbare wanorde steeds nadrukkelijker gaat variëren op gespierde marsritmes en de trompettist omdat hij, vooral naar het einde toe, uitpakt met geweldig expressief spel: virtuoos en toch vuil, creatief én duidelijk vanuit de buik, wat leidt tot een enorm intense climax.

Met deze Live heeft Clean Feed duidelijk gekozen voor een straf muzikaal statement en ouderwets goede free jazz. Het is dan ook jammer dat het geluid ver onder de standaard zit die het label zichzelf doorgaans oplegt. Wat de parel aan de kroon van een geweldig labeljaar had kunnen zijn, zorgt nu af en toe voor frustraties die de pret kunnen verpesten. Er staat iemand in het krijt bij Parker en Waits. Hopelijk wordt dat nog eens rechtgezet.

Op 16 april 2011 speelt Malaby met Mark Helias (bas) en Tom Rainey (drums) in De Werf in Brugge.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 + 17 =