Courtisane Festival, 31 maart + 1 april 2011, Vooruit

Als ‘festival en vertoningsplatform voor film, video en mediakunst’ staat Courtisane steeds garant voor een paar ongebruikelijke voorstellingen. Ook deze keer werd het programma aangevuld met twee indrukwekkende double bills, waarbij muzikanten William Parker en Wadada Leo Smith aan de slag gingen met werk van filmmakers Sylvain George en Robert Fenz. Het leidde tot voorspelbaar onconventionele resultaten.

Niemand had dan ook geloofd dat Parker en Smith die visuele kunst zomaar zouden begeleiden met hun muziek. Als topimprovisatoren en veelzijdige kunstenaars die hun inspiratie halen bij de meest uiteenlopende bronnen, van muziek en literatuur over film tot politiek, zijn ze zich bewust van de vallen en conventies waarvan al te snel gebruik gemaakt kon worden. Elk ging daar op zijn eigen manier heel gewaagd mee om, wat leidde tot kijk- en luisterervaringen die de sowieso al zeer vrije aanpak van beide filmmakers aanvulde en de poëtische kracht nog eens versterkte.

31 maart: Sylvain George vs. William Parker

De activistische filmmaker Sylvain George bracht zijn recente Qu’ils reposent en révolte (des figures de guerre) (2010) mee, een twee en een half uur durende film waarvoor hij drie jaar rondhing bij de talloze migranten die ronddwalen in havenstad Calais, hopend op en werkend aan een betere toekomst. Vaak zijn het mensen die hun geboorteland ontvlucht zijn omdat er een oorlog woedt, omdat ze er vervolgd werden, omdat de leefomstandigheden mensonwaardig zijn. George werkt daarvoor met een aparte stijl: z’n zwart en wit zijn extreem contrasterend, z’n shots lijken soms in de rapte gemonteerd en van een duidelijke narratieve en/of chronologische structuur is weinig sprake. Hij wil de kijker dan ook niet bij het handje houden, maar hem de gelegenheid bieden om zelf door tijd, ruimte en betekenis te reizen en interpretaties te maken.

Aanvankelijk heeft het nogal wat weg van vrij klassieke cinéma vérité, waarbij George de beelden voor zich liet spreken en de ene ‘dagdagelijkse’ scene door de andere gevolg wordt: kleine groepjes illegalen die opgejaagd worden door de politie, de triviale rituelen, strijd met de verveling, verzorging van zieken, etc. Maar er zijn ook vreemde, haast surrealistische scènes bij, zoals eentje waarbij een aantal mensen hun vingers opzettelijk verbranden aan schroefdraad om van hun vingerafdrukken af te geraken. Dat wordt dan nog voorafgegaan door het beeld van een man die z’n vingertoppen aan het schillen was alsof het gaat om een aardappel. Je zou eerst nog kunnen denken dat hij van z’n eeltlaagjes af wil. Het beeld dat erop volgt corrigeerde dat. Niet enkel een schokkend beeld, maar ook veelzeggend in het licht van de menselijke drang om te doen wat er voor nodig is.

Parker zou uiteindelijk de volledige film begeleiden en intens geconcentreerd meekijken. “He has a feel for time as distinctive as his own heartbeat”, schreef iemand ooit over ‘s mans spontane, vaak intuïtieve aanpak, en zijn spel in de Vooruit sloot daar ook bij aan. Zoals hij het na het concert verwoordde was het niet zijn bedoeling om de film te voorzien van de ‘juiste’ soundtrack, maar het ademritme van de film te vinden en daarin mee te gaan. Of een ritme te zoeken dat erbij zou kunnen aansluiten. Dat deed hij zonder de te verwachten ingrepen, maar eerder door een techniek van contrapuntische interventies en technieken, waarbij de contrastwerking tussen wat er zich op het scherm afspeelt en wat er te horen is tot onverwachte en soms ongemakkelijk tegen elkaar aan schurkende combinaties leidt.

Zo krijg je bvb. onheilspellende beelden van een avondschemering vol ronddolende sans-papiers te zien, terwijl Parker het voorziet van lichte of haast vrolijke ritmische elementen. Op andere momenten haalt hij dan weer de stok boven om wolken van dreiging te strijken. En hij benut het hele arsenaal: een paar keer gaat het om riedels, je zou ze haast themaatjes kunnen noemen, die in variërende versies terugkomen, maar op andere momenten gaat het om eclectisch snarengepluk, eigenaardige geluiden, pulserende plofjes. Dat hij z’n blaasinstrumenten meebrengt maakt het enkel nog exotischer: zowel op z’n Afrikaanse fluiten als op de shakuhachi zorgt het voor een kleurrijke, exotische aanvulling. Dat het niet altijd even geslaagd was werd vooral duidelijk in de momenten dat hij werkte met eigen poëzie; z’n associatieve woordenstroom zat soms wat ongemakkelijk naast de beelden.

De meest intense wisselwerking levert het op aan het expliciet politieke laatste half uur van de film, waarbij de revolte het meest voelbaar is, hetzij op het scherm of in de muziek. Het is daar dat George laat zien dat er niets multi-interpreteerbaar is aan onrecht en onmenselijke behandeling en dat humanitaire wantoestanden aangeklaagd moeten worden. De verontwaardiging wordt voelbaar. Het is ook daar dat Parker zich voluit laat gaan, iets wat hij daarvoor eerder aarzelend deed. Twee en een half uur is lang, maar dat het ondanks die lengte en de spontane begeleiding toch geen seconde verveelt is een enorme verdienste voor beide artiesten.

1 april: Robert Fenz vs. Wadada Leo Smith

Terwijl de eerste twee artiesten nog niet samengewerkt hadden (George had dat wel al gedaan met Archie Shepp), is er tussen Fenz en Smith sprake van een heel andere relatie. Als student volgde Fenz immers nog college bij Smith, die een belangrijke invloed zou worden op het filmwerk van zijn leerling. Op de een of andere manier is een filmmaker als Fenz ook een kunstenaar van het hier en nu, die dan wel niet met de geluiden van het moment speelt, maar met de beelden en zich laat leiden door het onverwachte. Het shot staat daarbij centraal en wordt ongeknipt gebruikt: als het een waarde heeft, wordt het behouden. Bovendien is er ook die afwijzing van een lineaire structuur: Fenz’ films, waarvan er zes getoond werden (het onlangs afgewerkte The Sole Of The Foot en het vierdelige Meditations On Revolution en Crossings, die gemaakt werden tussen 1997 en 2006), zijn poëtische beeldencollages die voor zich willen spreken.

Het politieke element is dan ook veel minder expliciet militant aanwezig en uitgewerkt op verschillende niveaus en continenten: de beelden die Fenz met z’n 16mm camera’s vastlegde kwamen dan ook van Cuba, Mexico, Brazilië en de Verenigde Staten. Gaat het nu eens om stadszichten en voorbij slenterende gezichten en gefronste wenkbrauwen op de metro, dan gaat het even vaak om lange shots die fascinerender worden hoe langer ze statisch blijven staan. Fenz’ films bevatten geen acteurs, geen gesprekken en dialogen of interviews. The Sole Of The Foot is net als de korte beeldenaanval Crossings, in kleur en met geluid, maar de overige vier kortfilms zijn stille zwart/wit-films. De ideale uitvalsbasis voor trompettist Wadada Leo Smith om vrijuit z’n ding te kunnen doen.

Diens aanpak is nog minder conventioneel dan die van Parker, omdat hij het grootste deel van de tijd zelfs geen oog lijkt te hebben voor de projecties. Hij kent de films wel, maar wil in alle vrijheid kunnen musiceren. Hij beschouwt zijn bijdrage dan ook niet als pure improvisatie, maar als een manier om de film in een ander daglicht te kunnen stellen met zijn muziek, door een andere invalshoek te bieden, het geheel in een andere, nog niet blootgelegde richting en betekenis te kunnen sturen. Blijft hij in het eerste half uur vooral steken in het spelen van lijzige, melancholische lijnen, veelal met demper, dan zou er later meer diversiteit in het werk kruipen: hortende notenclusters, breed uitgesmeerde growls, spelen met lucht en stilte. Veel stilte.

Stilte wordt bij Smith gebruikt als compositorisch bestanddeel en hoewel er sprake is van een zekere willekeur, blijft het wel boeiend om te merken hoe zo’n kijkervaring kan veranderen naargelang de muziek opduikt of (soms voor lange periodes) verdwijnt. Fenz’ zwart/wit-films hebben met de klassieke stille zwart/wit-films ook die iets te hoge snelheid gemeen, waardoor er steeds een frenetieke energie van het scherm spat, ook al gaat het om een lange afstandshot van bijvoorbeeld een marktplein. De combinatie met Smiths ingetogen exploraties zorgt ook op deze tweede avond voor mooie contrasten. Hoogtepunt is het vierde deel van de cyclus (Greenville, Ms), een half uur durende, grofkorrelige film over een bokstraining die al snel uitgroeit tot een heftig intense en hypnotiserende kijkervaring waarbij de verbetenheid en lijfelijkheid van het scherm druipt en een bezwerende sparring uitgevoerd wordt met de bijna etherische muziek.

Zijn de films van George en Fenz sowieso al ongebruikelijk in hun afwijzing van de stilistische en narratieve regels van de cinema (geen duidelijke begin/midden/slot-structuur, geen plot, dialoog en vaste personages, etc), dan is de aanpak van hun muzikale partners al even creatief: Parker met z’n drang om een parallel lopend verhaal te zoeken, Smith door het verhaal helemaal open te trekken en twee op zichzelf staande performances bij elkaar te brengen. Het laat alleszins zien (en horen) dat de mogelijkheden onbeperkt zijn, ook voor geëngageerde kunst, zolang je maar bereid bent om de comfortabele zetel der conventies en verwachtingen (i.c. de dienstbare ondersteuning) achter je te laten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × vijf =