Steve Wynn & The Miracle 3 :: 22 november 2010, 4AD

Steve Wynn is een van de grootste songschrijvers van de laatste dertig jaar. Steve Wynn is een van de grootste songschrijvers van de laatste dertig jaar. Het kan niet genoeg herhaald worden. Voor een artiest die bijna drie decennia meedraait legt hij bovendien een opmerkelijke gretigheid aan de dag, iets dat voor de zoveelste keer bewezen werd door zijn passage met The Miracle 3, een band die elke artiest een paar niveaus hoger kan tillen.

Toegegeven, die eerste soloplaten na het einde van The Dream Syndicate (Kerosene Man (1990) en Dazling Display (1992)) hebben de tand des tijds niet al te best doorstaan, maar het tiental albums dat daarna volgde blinkt vooral uit in consistentie. Wynn is een begenadigd songschrijver met een benijdenswaardig gevoel voor evenwicht. Zo schreef hij talloze songs die een fraaie combinatie vormen van aanstekelijkheid en vurigheid. Soms flirtend met powerpop en 60’s psychedelica en dan weer aanleunend tegen de noisy gitaarrock van The Velvet Underground of de rammelende woestijnrock van Neil Young, en doorgaans ook nog eens voorzien van uitstekende, quasiliteraire lyrics (hij is ook goed bevriend met misdaadauteur George Pelecanos, die ook al een bijdrage leverde aan een van z’n platen), waardoor hij haast een moderne beat poet is, eentje met haar op de tanden.

’s Mans aaibaarheid en joviale karakter zijn al jarenlang bekend, maar dat belet hem niet om steevast uit te pakken met verschroeiende concerten, waarbij de gitaar centraal staat. Zeker sinds hij The Miracle 3 rond zich verzamelde – met Linda Pitmon aan de drums, Jason Victor op gitaar en, voor deze tournee, Nederlander Eric Van Loo op bas – vond hij z’n tweede jeugd, wat leidde tot een paar uitstekende albums en marathonconcerten die er bij de loyale aanhang ingaan als zoete broodjes. Onlangs bracht bij z’n derde studioalbum met die band uit (Northern Aggression), een werkstuk waarmee hij de veelkleurige, barokke experimenten van Crossing Dragon Bridge (2008) verruilt voor in psychedelische vochten gedrenkte garagerock en -pop. Die nieuwe plaat hadden we nog niet gehoord toen we de 4AD binnen wandelden, al wisten we op voorhand dat Wynn z’n verleden niet zou verloochenen.

Integendeel, want het concert, dat uiteindelijk zo’n twintig songs lang zou duren, kon je eigenlijk ook beschouwen als een mini-carrièreoverzicht, waarbij klassiekers afgewisseld werden met recentere kleppers en een greep uit het nieuwste werk. Met “Resolution” werd het gaspedaal alleszins meteen ingedrukt, met een hypnotiserende staccatoriff, de typische gortdroge Pitmonbeats en de unieke wisselwerking met Victor. Die liet andermaal z’n meesterschap blijken, door z’n gitaar te laten huilen en janken, door er waanzinnige geluiden uit te persen en voortdurend de grens met de noise op te zoeken. Wie zich vergrijpt aan gitaarklassiekers van The Dream Syndicate en toch Karl Precoda en Paul Cutler kan doen vergeten, dat is een monstergitarist. Hij behield z’n bekende cool gedurende de hele show, maar jakkerde z’n instrument bijna aan stukken, waarbij de duels met Wynn soms leidden tot verbluffend intense snarenwaanzin.

Er werd geplukt uit Medicine Show (“Daddy’s Girl”, “Bullet With My Name On It”), de plaat die onlangs opnieuw uitgebracht werd, maar ook uit Melting In The Dark (“Shelley’s Blues, Pt. 2”), de plaat die Wynn opnam met Come. Natuurlijk kon er ook geen materiaal uit de geweldige dubbelaar Here Come The Miracles (nog steeds een van de beste platen van het voorbije decennium) ontbreken: het tot heftig hoofdschudden aanzettende “Strange New World”, de trancerock van “Death Valley Rain” en, in de eerste bisronde, het loeihard stompende “Southern California Line”. Wynn was intussen z’n pretentieloze zelve (weinig artiesten stralen zo’n complexloze oprechtheid uit) en genoot duidelijk. Hoogtepunten? Geen beginnen aan, al was “That’s What You Always Say” goed voor instant kippenvel en mondde trage “The Deep End” uit in een verrassend kloek slot.

Het eindigde al na een goed uur met het feedbackfestijn van “Amphetamine”, maar natuurlijk zou het daar niet bij blijven. Er werd nog wat nieuw werk bovengehaald (“Ribbons And Chains”), al lag het zwaartepunt vooral bij het tweeluik “Halloween”/”The Days Of Wine And Roses”, songs die behoren tot het beste dat de 80s te bieden hadden en ook nu, achtentwintig jaar later, overeind blijven als monumenten uit de gitaarrock; gierende kolossen met meervoudige climaxen die je hulpeloos naar adem deden happen. De concertreeks na Here Come The Miracles (2001) klonk misschien nog wilder, maar na anderhalf uur bereikte de set een climax die titel waardig. Het was het logische eindpunt van een heftig potje franjeloze rock-‘n-roll, dat als uitsmijter nog twee solo gebrachte songs kreeg: “Boston” (uit het vergeten Out Of The Grey) en “When You Smile”, het vierde nummer dat geplukt werd uit The Days Of Wine And Roses.

De 4AD zag dat het goed was op die gure maandagavond. Meer dan goed. Want zoals onze vriend het mooi samenvatte na z’n Wynndebuut: zelden krijg je artiesten te zien van die generatie en scène, die nog met zo’n begeestering voortdoen, door ijzersterke versies te spelen van oude klassiekers en uit te pakken met nieuw werk dat de lat nog altijd erg hoog legt. Grote meneer, geweldige band, indrukwekkend optreden. Eentje om in te lijsten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − 10 =