C-mine Jazz :: 12 november 2010, C-mine (Genk)

Als 20e-eeuwse industriestad kan Genk niet bogen op het rijke culturele verleden dat Hasselt, Mechelen en Kortrijk – steden met een vergelijkbaar bewonersaantal – kunnen etaleren. Misschien ook daarom dat het de dag van vandaag nog steeds niet zo’n uitgesproken imago van cultuurstad heeft. Nochtans zijn er mooie initiatieven die het tij misschien doen keren. Op jazzvlak wordt er alleszins werk van gemaakt met C-Mine Jazz (het voormalige Motives Festival), dat z’n kinderschoenen definitief ontgroeid is en mikt op de eerste klasse.

Meer nog dan in Gent, Middelheim en Brugge, wordt in Genk de kaart van het eclecticisme getrokken, met een programma dat schippert tussen traditie, exploratie en aansluiting met de wereld van de popmuziek. Dat zorgt ervoor dat minder tolerante luisteraars van de exaltatie in de irritatie kunnen vallen in een vingerknip, maar voor wie jazz in z’n breedste vorm wil horen (en met volk als Candy Dulfer wordt heel erg afgeweken van de ondergrondse jazzkrochten waar de moderne jazz ontstond) viel er een en ander te beleven. De organisatie haalde een klepper in huis die ongetwijfeld goed was voor de opkomst, al verdient ze eveneens een pluim voor enkele risico’s, waardoor muzikanten die doorgaans enkel voor een nichepubliek kunnen spelen nu wel een vrij groot bezoekersaantal konden inpakken.

Er werd ook resoluut gekozen voor lokaal talent en initiatieven zoals het Eujazzstage en het platform dat geboden werd aan Prova Records van Michel Bisceglia. Het eerste concert was meteen dat van Genkenaar Glenn Magermans ‘Electric Quartet’. Met twee composities van pianist Nick Puylaert ging het kwartet alvast sterk van start, met een staaltje lyrische jazz. Verrassingen vielen er niet te rapen (het was het meest klassieke concert van de dag), maar er werd mooi gespeeld en Magerman mocht z’n lijzige kunstjes laten horen op trompet en bugel. De cover van Miles Davis’ “Great Expectations” (uit diens vroege elektrische periode) was degelijk, maar moest het toch afleggen tegen de twee stuken uit Magermans eigen suite: fraaie, filmische jazz die de wijzers van de klok naar middernacht joeg. Het kwartet miste soms wat karakter en vuur, iets dat rechtgezet kan worden door iets meer buiten de lijntjes te kleuren.

Het was uitkijken naar het soloconcert van pianiste Geri Allen (foto), een gelauwerde dame die de voorbije drie decennia aan de zijde van een hele resem Groten stond en Genk exclusief zou laten proeven van haar samenwerking met fotografe/videoartieste Carrie Mae Weems. De beelden bleven aanvankelijk achterwege en Allen ging meteen erg gedreven en virtuoos van start. Er vielen wel flarden te ontwaren die schatplichtig leken aan grote bebopjazzpianisten (Monk, Powell, Nichols & co.), maar bovenal werd hier een virtuoze notenvloed ontketend die het terrein tussen jazz en klassiek leek te ontginnen. Allen zat er haast onbewogen bij, maar de vingers raasden en klaterden over het ivoor.

De combinatie met het visuele was dan weer minder geslaagd. Het ging immers vaak om erg symbolisch geladen beeldenreeksen, nu en dan flirtend met het surreële, waarbij een hoofdrol weggelegd was voor zwarte vrouwen, sneeuwvlokken en ramen. Vast ook met een heleboel poëtische intenties, maar de combinatie van verwarring en wat duffe romantiek (dansende ballerina’s) leek moeilijk verenigd te kunnen worden met het razende en toch introspectieve spel van Allen. Bovendien was een deel van het beeldmateriaal al voorzien van vooraf opgenomen muziek, wat het artificiële karakter nog eens onderstreepte. Het werd even verwarrend toen na het einde van de film de zaallichten aangingen, Allen verkondigde dat ze nog wat stukken zou spelen, maar te horen kreeg dat er slechts tijd was voor eentje. Dat was een indrukwekkende versie van Mal Waldrons klassieker “Soul Eyes”, die een wat stroeve wisselwerking alsnog mooi afrondde.

Het eerste festivalhoogtepunt diende zich aan om 21u, met het Jazz Plays Europe Laboratory, een project van een handvol bevriende Europese jazzorganisaties, die een antwoord willen geven op de vraag “Waar gaat het met jazz in Europa naartoe?” Zes jonge muzikanten uit zes landen werden een paar dagen eerder bij elkaar gebracht om zich klaar te stomen voor een concertreeks. België werd vertegenwoordigd door drumtalent Lander Gyselinck, die bijgestaan werd door een Slovaakse violist, een Poolse bassist, Franse gitarist, Duitse pianist en Nederlandse zangeres. Het beloofde een ratjetoe van stijlen te worden, en dat werd het ook, maar die werd gebracht met een imposante zelfzekerheid en bevlogenheid. Vanaf het eerste nummer.

Zorgde de aanwezigheid van de violist meteen voor een streep Balkanjazz, dan counterde voluptueuze zangeres Kristina Fuchs dit met een verbluffend arsenaal een zangtechnieken en stijlen. Nu eens sissend en hikkend à la Sidsel Endresen, dan weer met ijzig fjordengezang, het bleef straf. En het bleef niet bij stilistisch eclecticisme, want ook de composities zaten stuk voor stuk erg goed in elkaar, waarbij vooral eentje van gitarist Ivann Cruzz opviel. Die kerel was helaas amper hoorbaar tijdens het concert, tot het slotstuk, waarin hij ging lopen met alle aandacht door een verschroeiende solo uit z’n vingers te persen. Een straf concert, waarbij we toch moeten zeggen, ietwat chauvinistisch misschien, dat het grootste deel van het vuurwerk te danken was aan de wisselwerking tussen Gyselinck en pianist Oliver Maas, een confrontatie die smeekt om een vervolg.

Het contrast had niet groter kunnen zijn met het erop volgende concert. Palle Mikkelborg zal altijd bekend blijven staan als de “de man van Aura”, misschien wel de enige plaat van Miles Davis’ laatste decennium die écht de moeite is. De intussen zeventigjarige trompettist, een pionier van de elektronische manipulatie, had een all star-band rond zich verzameld – meesterpercussioniste Marilyn Mazur, harpiste Helen Davies en gitarist Mikkel Nordso -, met wie hij zich zou wijden aan het project ‘A Journey To…’, een auditieve trip die zich, wars van de eindbestemming, een weg zou banen door een lyrisch landschap van etherische geneugten. Klinkt een beetje als fletse, tegen new age aanschurkende geluidspap, en dat was het soms helaas ook. Geen mens die zal ontkennen dat de vier een bagage hebben om jaloers op te zijn, maar het resultaat liet ons alvast ijskoud. Ook al leek Mikkelborg in sexuele extase tegen z’n oubollige synthesizer te stoten.

Mazur kon zich laten gaan in een percussiekooi die volgestouwd was met dozijnen onderdelen waarin ze naar hartenlust op en af kon huppelen, tingeltangels aanslaan en een staaltje laten horen van haar fenomenale instrumentbeheersing. De rol van Davies was iets minder uitgesproken en stond eerder ten dienst van Mikkelborg, die zich vooral beperkte tot serene uithalen. Het had (hoe kan het ook anders) iets van Miles’ minimalisme, maar eigenlijk ook van de aanpak van Jacques Coursil, die we een tijd geleden aan het werk zagen: melodisch erg fletse, soms zelfs ronduit slappe en kinderlijke relaxatiemuziek, die chakracoachen vast zouden aanbevelen bij meditatiesessies. En dan is er nog niets gezegd over Nordso. De lelijkheid van zijn gitaar werd enkel nog voorbijgestoken door het wanstaltige Satrianigeluid dat hij er uit wist te knijpen. Er is slechts een soort jazz die nog irritanter is dan holle etherische jazz, en dat is holle etno-etherische jazz. In sommige mindfulnessmilieus vast Godenmuziek. Voor ons de soundtrack bij De Grote Leegte.

Erik Truffaz maakte bitter weinig indruk op Jazz & Sounds, eerder dit jaar. Dat zette hij nu recht met een duister groovende set, waarmee hij opnieuw aansluiting zocht bij de feel en sound van zijn meer eclectische platen die flirten met rock en drum & bass. Een sleutelrol werd daarbij weggelegd voor metronoom/drummer Marc Erbetta, die resoluut koos voor een repetitief minimalisme waar bassist Christophe Chambet z’n donderende bas op kon leggen. Meest opvallende figuur was echter toetsenist Benoît Corboz, een van de meest expressief spelende figuren op het festival en de man die een van de beste Fender Rhodessolo’s speelde die we in tijden hoorden. Het was pure funk, maar dan niet van de kleffe, ingestudeerde soort die we een dag later te horen kregen. Integendeel: het was de funk van het zweet, die van de glibberige seks in een belachelijk hete keuken. En Truffaz bleef er als vanouds onbewogen onder, spelend alsof hij na een week slaaptekort nog een potje kalmeerpillen tot zich had genomen. Maar het werkte: het kwartet speelde zichzelf en het publiek in een trance die bijna een uur duurde.

Toen Hamid Drake & Bindu – ‘Reggaeology’ (foto) een aanvang kon nemen was het al bijna kwart voor één. Het zag er even naar uit dat de band voor een halflege zaal zou moeten spelen, maar die druppelde langzaam vol. En maar goed ook, want Drake & Co. speelden het concert van de dag, een zalig warm en virtuoos feestje dat reggae en avant-jazz verenigde op een manier die zelfs de meest geharde naysayer zou overtuigen. Drake is een wandelende ritmemachine en een van de beste drummers van de jazz en ver daarbuiten, overdonderend in de context van pure improvisatie (zeker naast William Parker), maar al even gedreven daarbuiten. Reggae laat ons doorgaans koud, maar de manier waarop deze zes muzikanten (met naast Drake twee trombonisten, een bassist, een gitarist en een zanger/beatboxer) door het genre raasden was indrukwekkend.

Grote stukken waren relatief rechttoe-rechtaan, maar werden vaak voorafgegaan of onderbroken voor staaltjes geïmproviseerde interactie. En het was er allemaal: ritme, hecht samenspel, risico, vurige solo’s en vooral: bakken goesting. Drake nam tussendoor ook ruimschoots de tijd om een eindje weg te mijmeren over zijn aanwezigheid en de kans om deze muziek te spelen, net zoals hij de tijd nam om z’n volledige band voor te stellen. Het was meteen ook de eerste keer dat je volledig vergat dat je in een kolossaal cultuurhuis zat. Het had de ongedwongen gezelligheid van een avondje met goede vrienden. Helaas betekende het ook dat er weinig tijd overbleef voor muziek, al was het triostuk dat volgde (met akoestische gitaar, frame drum en guimbri (een Afrikaanse luit)) verpletterend mooi. Een sleutelrol was ook weggelegd voor gitarist Hervé Samb, die zich een dag later nogmaals in de kijker zou spelen. Dag 1 was ongelijk van kwaliteit, maar ongemeen boeiend en eindigde met een spetterende climax.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 2 =