Mike Pride :: ”De echte artiest heeft enkel zichzelf aan het publiek te geven”

Je moet het maar kunnen: in een nogal verzadigde scene toch nog opvallen door werklust, onverminderde creativiteit en gretigheid om met de meest uiteenlopende muzikanten voor de meest uiteenlopende muziek te zorgen. Het is van toepassing op drummer/componist Mike Pride, die onlangs z’n debuut als bandleider maakte met het uitstekende Betweenwhile (AUM Fidelity, 2010).

Een Europese tournee met die band, From Bacteria To Boys, zit er voorlopig niet in. Pride wordt binnenkort vader en blijft voorlopig in New York. Vandaar deze langeafstandsconversatie met een drummer die regelmatig in de clinch gaat met Jon Irabagon (improvisatiemarathons) en Jamie Saft (onvoorspelbaar eclecticisme), op een indrukwekkende rits platen zorgde voor de ritmische ruggengraat en een van de beste nummers op zijn plaat vernoemt naar Reese Witherspoon.

enola: Wat me het meest van al opviel bij Betweenwhile was dat het veel meer ‘jazz’ is dan verwacht. En ook wel verfijnder en ‘mooier’. Ik veronderstel dat er nogal wat luisteraars verrast gaan zijn. Voel je het zelf ook als een wending?

Pride:
“Ik heb altijd al van jazz gehouden. Altijd. De tweede plaat die ik ooit kocht, was Eric Dolphy’s Out To Lunch, toen ik tien was. Ik kan me ook herinneren dat m’n broer Don (zelf ook een uitstekend gitarist/componist) me iets van the Art Ensemble Of Chicago liet horen toen ik heel jong was. Ik hield meteen van de open sfeer en al die geluiden. Ik heb mezelf altijd als een jazzmuzikant beschouwd, een ‘muzikant die improviseert’ (zoals m’n mentor, held en professor, Milford Graves, het altijd zei), ook al heb ik andere stijlen gespeeld om financieel rond te komen. Ik hou van muziek spelen en optreden, maar genre en stijl maken me niet zo veel uit.

Mijn albums zijn altijd een weerspiegeling geweest van mijn interesses of gevoelens op dat ogenblik. Ik heb lang geworsteld met jaloezie, woede, angst, en verwarring over mezelf. De voorbije jaren heb ik enkele van die dingen opgelost, en dat is zeker voelbaar op deze plaat, die daar een weerspiegeling van is. Net zoals het laat horen wat m’n recentste obsessie is: soul.

Als je op zo veel albums speelt als ik, dan is het makkelijk om mensen te verwarren. Ik leg me daar bij neer. Ik maak muziek voor luisteraars zoals mezelf, die net zo sterk geïnteresseerd zijn in het mysterie en de vele soorten muziek, als in het genre en de concepten die er achter steken.

enola: Drummende bandleiders zie je niet vaak. Componerende drummers misschien nog minder. Kan je beschrijven tot op welke hoogte jij verantwoordelijk was voor de uiteindelijke vorm van de songs? Gaf je instructies, had je het allemaal uitgeschreven?

Pride:
“Je mag niet onderschatten hoeveel percussionisten/componisten er eigenlijk zijn. Drummers zijn altijd al katalysatoren geweest wat het componeren en leiden van creatieve bands betreft, van Max Roach en Joe Chambers tot Jack DeJohnette, Tony Williams, Paul Motian, Bobby Previte, Matt Wilson en Jim Black. Ook bij mijn generatiegenoten zijn er meer dan je denkt: Tomas Fujiwara, Ches Smith, Tyshawn Sorey, Dan Weiss en Harris Eisenstadt.

De meeste composities werden op traditionele manier uitgeschreven en dan verder uitgewerkt met de band tijdens concerten, repetities en discussies. Ook al zijn die composities allemaal ontsproten aan mijn brein, toch hebben Darius Jones, Alexis Marcelo en Peter Bitenc (respectievelijk, saxofonist, pianist en bassist, gp) ook een centrale, collectieve invloed gehad, maar ook individueel om de toon van deze stukken te helpen bepalen.”

enola: Je hebt jezelf omringd met een prachtig trio, al had ik enkel van Darius Jones gehoord, door z’n soloalbum voor AUM Fidelity en z’n werk met Little Women. Kan je iets meer vertellen over hun plaats in de band?

Pride:
“De sterkte van deze band is de brotherhood die we voor elkaar voelen. Er is geen enkel risico dat iemand van ons kan nemen dat de sound van de band niet ten goede kan nemen. We voelen liefde, respect, bewondering en vertrouwen in elkaars intenties en we begrijpen heel goed hoe we als collectief klinken. In essentie zijn we allemaal vrij om te spelen zoals het moment dat ingeeft. En dat is het plezantste deel.

Wat de individuele inbreng betreft: Darius heeft een opvallende aanwezigheid in een performance, die een direct gevolg is van zijn meesterschap van tijdsaanvoelen, intonatie en geluidsontwikkeling. Darius speelt enkel wat hij voelt en zingt vanuit zijn hart en door zijn altsax. Alexis is van onschatbare waarde door zijn harmonische instincten. Hij kan de meest dichtgeplamuurde muziek toch licht en gestroomlijnd doen voelen. Hij wil altijd verrassen. Peter is dan weer de complete bassist, bezig om de band op zo’n manier te sturen dat alles rond hem kan gebeuren. Met hem erbij hebben we een anker zonder ons gebonden te voelen.”

enola: Met Man’ish Boy dook Darius diep in zijn muzikale- en familie-roots. Heb je ooit al zoiets gedaan en hoe zou het klinken?

Pride:
“Eigenlijk zou het klinken zoals elke plaat die ik ooit al gedaan heb en meest recent Betweenwhile. De echte artiest heeft enkel zichzelf aan het publiek te geven. De performance en het artificiële van muziek maken is niets meer dan een manier om de beweging van het leven en persoonlijke ervaringen tot uiting te brengen. Voor diepere info over de plaat kan de luisteraar ook nog terecht bij de liner notes van Sam Mickens.”

enola: Er lijkt een zorgvuldig gekozen volgorde in de composities te zitten, waardoor je vaak een afwisseling krijgt van eerder conventionele songs, met eerder experimentele nummers. Heb je dat bewust gedaan en werkte je al vanaf het begin met een structuur?

Pride:
“Een paar weken na de opnames heb ik de verschillende stukken allemaal op m’n iPod gezet en volop de ‘shuffle’-knop gebruikt en m’n intuïtie gevolgd om het ritme van de plaats als geheel te ontdekken. Ik heb dat drie keer gedaan, en telkens notities genomen. Drie keer na mekaar eindigde ik met dezelfde volgorde, dus dat is het geworden.”

enola: Ik heb steeds opnieuw naar “Bole: The Mouth Of What” zitten luisteren, een merkwaardige song, zeker met de videoclip erbij. Het zou gebaseerd zijn op het geroep van het kermisvolk. Hoe begin je aan zoiets?

Pride:
“Het is daadwerkelijk gebaseerd op het geroep van de kermismensen. Ik ging in 2007 naar de Fryeburg Fair, in Fryeburg (Maine) met een paar vrienden en daar heb ik opnames gemaakt van de zingende kermismensen. Later heb ik transcripties gemaakt van die songs en er een medley van gemaakt. Dat werd het eerste deel van de song, dat na de introductie van Alexis komt. Het tweede deel drukt mijn liefde voor enkele van de clichés van R. Kelly en Marvin Gaye uit. Ik vond diepe overeenkomsten tussen het kermisgezang en de manier waarop R. Kelly en Marvin hun melodieën fraseren.

Een van de kermiskramers stond bij een soort bowlingattractie. En voor mij leek het alsof hij constant “Bole – bole – bole” aan het zingen was. Dat is waar de originele titel vandaan komt. Later deed ik wat onderzoek naar het woord en leerde dat het slechts in één taal werd gebruikt, de taal van Yobe en Gombe in Noordoost Nigeria. Als je het letterlijk vertaalde, dan betekende het “mouth-of-what?””

enola: Je hoort vaak dat er een bruisende scene is in New York, met hopen getalenteerde muzikanten die er werken en spelen. Maar er zou ook een heel competitieve sfeer zijn. Klopt dat? En denk je dat er genoeg mogelijkheden zijn voor muzikanten?

Pride:
“Als het er competitief aan toe gaat, dan is dat vooral in onze hoofden. Kunst mag niks te maken hebben met competitie. Trouwens, hoe wanhopig moet je in godsnaam zijn om te gaan vechten voor 100 dollar? Anthony Braxton zei al dat we kunst van commerce moeten scheiden. Helaas is er natuurlijk wel wat competitie, maar dan vooral in het geheim en met onszelf.

Door de kapitalistische omwentelingen zijn er ook in New York heel wat podia verdwenen, maar er zijn nog altijd mogelijkheden en het is ook onze verantwoordelijkheid om te véchten voor de kunst en om te creëren en nieuwe plaatsen op te richten waar de muziek gehoord kan worden. Natuurlijk zou ik wel meer de kans willen hebben om te spelen voor niet-muzikanten. Soms heb ik wel het gevoel dat we zelf verantwoordelijke zijn voor dat isolement door elitaire en academische rollen aan te nemen. Ik wil echter dat mensen iets meemaken als ze mijn muziek horen. Ik weiger om iemand te zeggen waarom hij of zij mijn muziek goed zou moeten vinden, of waarom mijn muziek ‘diep’ is. Het doet hen iets of net niet, dat mysterie zit enkel bij de luisteraar.”

enola: Je speelde bij punkband MDC (Millions Of Dead Cops). Hoe kwam dat? Had je een achtergrond in punk en ben je van daar uit naar jazz en geïmproviseerde muziek gegaan?

Pride:
“Een vriend van me was met hen op tournee geweest in het begin van de 00’s. Hij raadde me aan om auditie te doen toen ze op zoek waren naar een drummer. Hij dacht dat ik de energie en de capaciteiten wel had nadat hij me aan het werk zag met m’n avant-rockband Dynamite Club. Ik had toen nog niet van MDC gehoord. Ik leerde snel 60 songs, deed een auditie en werd aangenomen. En eerlijk gezegd was ik daarvoor nooit echt een punk- of metalliefhebber, ook al speelde ik in wat punkbandjes sinds high school. Vanaf het begin ging de aandacht voor naar improvisatie, schrijven, noise en outsider music performance.”

enola: Als ik een blik werp op je discografie kan ik me amper voorstellen dat er iemand is in de stad met wie je nog niet speelde. Met welke mensen, zou je graag eens op een podium staan?

Pride:
“Er zijn er eerst en vooral heel wat met wie ik heb gespeeld en doodgraag nog eens zou willen spelen in de toekomst. En dan zijn er natuurlijk heel wat met wie ik nog niet speelde, maar wiens werk ik bewonder en ooit hoop te kunnen spelen. De eerste vijf die me te binnen schieten zijn Tim Berne, Henry Threadgill, Erykah Badu, Jimmy Scott en Paul Motian.”

enola: Ik zag je goede vriend Jamie Saft een paar dagen geleden optreden. Wat vooral opviel was zijn enorme veelzijdigheid en virtuositeit in al de stijlen die hij combineerde. Muzikanten krijgen in bandcontext zelden de kans om hun hele kunnen te tonen. Voel je je als drummer ook soms beperkt?

Pride:
“Jamie is een monstermuzikant en een muzikaal anarchist. De breedte van zijn muziek en spel is onbeperkt omdat hij zo veel opvangt van wat er gaande is.

Ik probeer beperkingen te vermijden en ik speel altijd wat ik op een bepaald moment voel bij de muziek. Ik probeer natuurlijk ook oog te hebben voor het formele, conceptuele of compositorische kader van een stuk muziek, maar op een goeie avond speel ik gewoon de songs die ik hoor in m’n hoofd, songs die niet ophouden.

enola: Ik las eens dat je je voor inspiratie ook vaak tot niet-drummers wendt. Kan je zo wat voorbeelden geven?

Pride:
“Ik hou van zangers en verhalenvertellers: Jimmy Scott, Johnny Hodges, R. Kelly, Marvin Gaye, Aretha Franklin, Rene Marie, Bettye LaVette, Bill Callahan, Milford Graves, Ghostface Killah, Erykah Badu, Michael Gira, Id M Theft Able, Frank Zappa, Stevie Wonder, Tom Waits, Ol’ Dirty Bastard, Otis Redding, Gladys Knight, David Yow, Michael Jackson, Kool Keith, Nick Cave, Bob Dylan, Neil Young, Brian Wilson, Nina Simone, Ray Charles, Billie Holiday, Yamatsuka Eye, Haino Keiji, etc…”

enola: Heb je al plannen voor de toekomst?

Pride:
“Ik hoop de volgende plaat van From Bacteria To Boys voor AUM Fidelity te kunnen maken tegen november 2011. Ik wil met Jamie Saft en Larry Grenadier ook een pianotrioplaat maken die gebaseerd is op arrangementen van mijn favoriete MDC-songs. Die plaat zal “I Hate Work” heten. Ik wil zeker ook nog eens spelen met Charles Gayle spelen en een plaat opnemen met Evil Eye, een kwartet met Jonathan Moritz, Ken Filiano en Ben Gerstein. Ik heb onlangs ook een plaat opgenomen met Jamie en Joe Morris die Crater heet en hopelijk vinden we daar snel een label voor. Idem voor een album dat ik maakte met kornettist extraordinaire Kirk Knuffke. Ik wil ook een jazzplaat maken voor moeders en ik ben van plan om binnenkort een uitstekende vader te worden. Als ik dat allemaal in orde krijgen tegen 2012, dan ben ik een tevreden en afgepeigerd man.”

enola: Wat is er aan de hand met Reese Witherspoon?

Pride:
“Vraag dat maar aan Trevor Dunn.”

Op zaterdag 19/02/2011 staat Mike Pride met Locksmith Isidore (met Jason Stein en Jason Roebke) in Kc BELGIE (Hasselt), net als CINC (Ken Vandermark, Phil Wachsmann & Paul Lytton).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 + drie =